Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil tussen ouders over de omgangsregeling met hun minderjarige kind, dat onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling (GI). De vader verzocht in hoger beroep om een zorgregeling met onbegeleide omgang eens per twee weken gedurende een weekend, terwijl de GI en moeder een begeleide omgang eens per vier weken nastreefden.
Het hof verwijst naar de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland en constateert dat de vader en moeder in hoger beroep zelfstandige verzoeken tot omgangsregeling en opschorting daarvan hebben ingediend, die niet in eerste aanleg aan de orde waren. Op grond van artikel 362 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering kan in hoger beroep geen zelfstandig verzoek voor het eerst worden gedaan.
Daarom verklaart het hof zowel de vader als de moeder niet ontvankelijk in hun respectievelijke verzoeken in hoger beroep. Het verzoek van de vader om een provisionele voorziening voor onbegeleide omgang wordt eveneens afgewezen. De overige grieven behoeven geen bespreking meer. De beschikking is uitgesproken op 18 augustus 2020 door drie raadsheren.
Uitkomst: Vader en moeder zijn niet ontvankelijk verklaard in hun zelfstandige verzoeken tot omgangsregeling en opschorting in hoger beroep.