ECLI:NL:GHARL:2020:6723

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 augustus 2020
Publicatiedatum
27 augustus 2020
Zaaknummer
Wahv 200.232.466
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 3, tweede lid, WahvArt. 19, tweede lid, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor hinderlijk parkeren volgens artikel 5 WVW 1994

In deze zaak stond de betrokkene terecht in hoger beroep tegen een sanctie opgelegd voor het parkeren van een voertuig op een wijze die hinder voor fietsers veroorzaakte. De kantonrechter had eerder een boete van €140 opgelegd wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, dat het veroorzaken van gevaar of hinder op de weg verbiedt.

De betrokkene voerde aan dat de hinder onvoldoende concreet was vastgesteld, omdat niet duidelijk was waar het voertuig precies stond en wat werd bedoeld met de 'verkeerde kant van de weg'. Het hof oordeelde echter dat uit de verklaring van de ambtenaar voldoende blijkt dat het voertuig zo geparkeerd stond dat fietsers moesten uitwijken naar de linkerkant van de weg, wat hinder opleverde.

Daarnaast werd het verweer dat de bevoegdheid van de medewerker die het administratief beroep behandelde niet duidelijk was, verworpen omdat geen concrete feiten of omstandigheden waren aangevoerd die aan de bevoegdheid twijfelden. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €140 wegens hinderlijk parkeren en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.232.466/01
CJIB-nummer
: 204527349
Uitspraak d.d.
: 27 augustus 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 14 december 2017, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 16 juni 2020 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 5 juli 2020 is het proces-verbaal van de in het openbaar bij de kantonrechter gehouden zitting van 30 november 2017ontvangen.
Uit de begeleidende brief die de griffier van de rechtbank heeft gestuurd blijkt dat een afschrift van het proces-verbaal ook naar de CVOM en de gemachtigde van de betrokkene is verstuurd.

De beoordeling

1. Nu de griffier van de rechtbank een proces-verbaal van de in het openbaar bij de kantonrechter gehouden zitting van 30 november 2017 heeft toegestuurd, wordt het verweer dat een proces-verbaal van de zitting ontbreekt in het dossier, verworpen.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 januari 2017 om 14.04 uur op de Schuitenberg in Roermond met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
3. De gemachtigde voert aan dat het (kunnen) veroorzaken van gevaar of hinder onvoldoende is geconcretiseerd door de verbalisant. De verbalisant heeft niet duidelijk gemaakt waar het voertuig precies stond en de stelling dat de fietsers aan de verkeerde kant van de weg moesten fietsen is niet duidelijk. Wat is de verkeerde kant van de weg? Uit het dossier blijkt niet dat het voertuig op een fietsstrook of midden op de weg geparkeerd stond, zoals de kantonrechter stelt.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond waardoor hinder werd dan wel kon worden veroorzaakt. De situatie was als volgt: fietsers moesten aan de verkeerde kant van de weg fietsen omdat dit voertuig geparkeerd stond. De (mogelijke) hinder bestond uit fietsers werden gehinderd die hun weg op de fietsstrook aan het vervolgen waren.”
6. De gedraging betreft een overtreding van artikel 5 van Pro de WVW, dat luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
7. De verklaring van de ambtenaar biedt voldoende grondslag voor de conclusie dat het voertuig van de betrokkene zodanig stond geparkeerd dat sprake was van hinder voor het verkeer op de weg. Uit de verklaring blijkt weliswaar niet exact hoe het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond, maar uit de verklaring blijkt wel dat het voertuig van de betrokkene zodanig op de weg stond dat de fietsers aan de verkeerde kant van de weg moesten fietsen. Naar het oordeel van het hof is dit niet anders op te vatten dan dat de fietsers door de wijze waarop het voertuig geparkeerd stond, moesten uitwijken naar de linkerkant van de weg. Daarmee staat genoegzaam vast dat aldus hinder werd of kon worden veroorzaakt voor andere weggebruikers. Gelet hierop staat vast dat de gedraging is verricht.
8. Voorts wijst de gemachtigde er op dat de kantonrechter de medewerker bevoegd achtte om op het administratief beroep te beslissen, maar dat niet is gebleken welke medewerker op het beroep heeft beslist, zodat het niet duidelijk is of de mandaatregeling wel op de betreffende medewerker van toepassing is.
9. In zijn algemeenheid mag er van worden uitgegaan dat een namens de officier van justitie verzonden beslissing op een administratief beroep bevoegd is genomen. Dat kan slechts anders zijn wanneer blijkt van concrete feiten of omstandigheden die in een individuele zaak aan de bevoegdheid doen twijfelen. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken. Het enkel opwerpen van de vraag of de medewerker in de onderhavige zaak bevoegd was, is hiertoe niet voldoende. De kantonrechter heeft dit verweer van de gemachtigde dan ook terecht (op algemene gronden) verworpen.
10. Geen rechtsregel verplicht de advocaat-generaal een verweerschrift in te dienen (vgl. artikel
19, tweede lid, van de Wahv). Tot vernietiging van de inleidende beschikking kan dit dan ook niet
leiden.
11. De bezwaren van de gemachtigde treffen geen doel. De kantonrechter heeft een juiste beslissing genomen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.