ECLI:NL:GHARL:2020:6744

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 augustus 2020
Publicatiedatum
28 augustus 2020
Zaaknummer
Wahv 200.266.948/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WahvArtikel 26 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid verzet in bestuursstrafzaak administratief beroep

De betrokkene stelde verzet in tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat op 18 februari 2016 was uitgevaardigd. De kantonrechter verklaarde dit verzet niet-ontvankelijk omdat het dwangbevel op 3 juni 2019 was ingetrokken, waardoor geen belang meer bestond bij een beslissing op het verzet.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde van de betrokkene dat de brief van 22 december 2017 ten onrechte als verzetschrift was aangemerkt, terwijl deze een administratief beroepschrift betrof tegen sancties voor onverzekerd bromfietsgebruik. Het hof oordeelde dat niet de stand van de incassoprocedure, maar de inhoud van de brief bepalend is en dat er dus geen verzet maar administratief beroep was ingesteld.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde dat het verzet niet was ingesteld. Het hof was niet bevoegd over de inhoud van het beroepschrift te oordelen en stuurde de brief door naar de officier van justitie (CVOM) voor behandeling. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk was gesteld.

Er werd geen griffierecht geheven voor het hoger beroep, zodat geen restitutie hoefde plaats te vinden. Eventuele reeds betaalde griffierechten in eerste aanleg moesten na intrekking van het dwangbevel worden vergoed door de officier van justitie.

Uitkomst: Het hof vernietigt de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het verzet, stelt vast dat administratief beroep is ingesteld en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.266.948/01
CJIB-nummer
: 191430149
Uitspraak d.d.
: 28 augustus 2020
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking ex artikel 26 van Pro de Wahv van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 september 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. de Bluts, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beschikking van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een op
18 februari 2016 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De Minister voor rechtsbescherming heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De Minister heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 augustus 2020. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de Minister is verschenen mw. [B] .

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard omdat het dwangbevel op 3 juni 2019 is ingetrokken en de betrokkene daardoor geen belang meer heeft bij een beslissing op het verzetschrift. De brief van de Directie Innen& Incasseren d.d. 28 mei 2019 vermeldt dat het dwangbevel is ingetrokken omdat verdere inning in deze zaak niet opportuun is gebleken.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de beschikking van de rechtbank in strijd met de wet is genomen. Zijn brief van 22 december 2017 is ten onrechte aangemerkt als verzetschrift. Bij die brief is administratief beroep ingesteld tegen alle aan de betrokkene opgelegde sancties voor het onverzekerd zijn van de bromfiets met kenteken D647JB en is met een beroep op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 april 2017 (ECLI:NL:RBNO:2017:3983) verzocht deze sancties en de omstandigheden als één geheel te beoordelen en de sancties te matigen. Daarover wordt thans een oordeel van het hof verzocht.
3. De Minister stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen en dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is en subsidiair dat het standpunt van de betrokkene dat de sanctie hem ten onrechte is opgelegd geen doel kan treffen, omdat de inleidende beschikking onherroepelijk is geworden nu de betrokkene daartegen geen beroep heeft ingesteld. Ten tijde van de brief van de gemachtigde van 22 december 2017 aan de CVOM, stond nog slechts verzet open. Voor zover de betrokkene stelt dat zijn bezwaar tegen de beschikking met het CJIB-nummer 191430149 bij de CVOM behandeld dient te worden, wordt het hof verzocht om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en het om proces technische redenen zelf af te doen. De CVOM zou kunnen oordelen dat de betrokkene niet-ontvankelijk is omdat het beroep te laat is ingediend.
4. Naar het oordeel van het hof is de brief van de gemachtigde van de betrokkene van
22 december 2017, gericht aan het openbaar ministerie te Den Haag, ten onrechte aangemerkt als verzetschrift in de onderhavige zaak. De inhoud van de brief en niet de stand van de incassoprocedure is bepalend. Het hof zal de beschikking van de kantonrechter dan ook vernietigen en verstaan dat geen verzet is ingesteld. Het hof is echter niet bevoegd over de inhoud van de brief van 22 december 2017 te oordelen, zoals de gemachtigde van de betrokkene verzoekt. De in hoger beroep voorliggende beslissing van de kantonrechter is immers niet een beslissing ex artikel 13 van Pro de Wahv. Het hof zal de brief van 22 december 2017, voor wat betreft de relevante CJIB-nummers aangevuld bij brief van 24 januari 2019, doorzenden aan de CVOM ter behandeling als administratief beroepschrift.
5. Voor het hoger beroep was geen griffierecht in rekening gebracht of voldaan. Er hoeft dan ook geen restitutie plaats te vinden. Voor zover in eerste aanleg griffierecht was voldaan, moet dat na intrekking van het dwangbevel door de officier van justitie aan de betrokkene vergoed zijn.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld als bedoeld in het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verstaat dat geen verzet is ingesteld;
draagt de griffier op om de brieven van de gemachtigde van 22 december 2017 en 24 januari 2019 door te zenden aan de officier van justitie (CVOM) ter behandeling als administratief beroepschrift, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de gemachtigde van de betrokkene;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.