Verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met de tenlastelegging mishandeling met een koevoet op 28 augustus 2017. Primair werd hem opzettelijk zwaar lichamelijk letsel met een koevoet ten laste gelegd, maar het hof sprak hem daarvan vrij wegens onvoldoende bewijs. Subsidiair werd hem mishandeling ten laste gelegd, waarvoor hij werd veroordeeld.
De feiten betreffen een incident waarbij verdachte, zijn vriendin en twee kennissen een discussie kregen met de ex-vriend van zijn vriendin. Tijdens het treffen ontstond een conflict waarbij beide mannen beweerden dat de ander een mes of koevoet pakte. Getuigenverklaringen waren beperkt en deels niet-objectief. Het hof achtte de verklaring van verdachte voldoende aannemelijk.
Het hof verwierp het door de verdediging gevoerde beroep op noodweer omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of onmiddellijk dreigend gevaar daarvan. Aangever had weliswaar een open mes, maar richtte dit niet op verdachte of diens vriendin. Verdachte sloeg aangever met een koevoet nadat hij eerst wegliep en vervolgens terugkeerde.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever mishandelde met een koevoet en veroordeelde hem tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden en de strafrechtelijke voorgeschiedenis van verdachte.
Het vonnis van de politierechter werd vernietigd wegens onvoldoende motivering en het hof deed opnieuw recht, waarbij verdachte werd vrijgesproken van het primair tenlastegelegde en veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde.