De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €55 wegens het voeren van fietsverlichting die niet voortdurend zichtbaar was op 9 juli 2016. De betrokkene voerde aan dat de verlichting wel brandde, maar zwak door vergeten opladen van accu's. De officier van justitie verklaarde het beroep tegen de sanctie kennelijk ongegrond zonder de gemachtigde te horen.
Het hof stelt vast dat de hoorplicht door de officier van justitie is geschonden en verklaart het beroep tegen diens beslissing gegrond en vernietigt deze. De sanctie zelf wordt echter gehandhaafd omdat uit het dossier blijkt dat de verlichting niet brandde of onvoldoende zichtbaar was, wat ook voldoet aan de wettelijke eisen uit het RVV 1990.
Verder werd een verzoek om een dwangsom wegens te late beslissing afgewezen omdat geen rechtsgeldige ingebrekestelling was gedaan. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt eveneens afgewezen. Het hof vernietigt de kantonrechterlijke beslissing, verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond en vernietigt diens beslissing, maar verklaart het beroep tegen de sanctie ongegrond.