ECLI:NL:GHARL:2020:7383

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 september 2020
Publicatiedatum
17 september 2020
Zaaknummer
21-004628-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.6 Wet wegvervoer goederenArt. 23 SrArt. 24 SrArt. 24a SrArt. 24c Sr
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens te zwaar beladen vrachtauto in strijd met Wet wegvervoer goederen

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het beroepsvervoer met een vrachtauto die zwaarder was beladen dan toegestaan volgens de Wet wegvervoer goederen. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in. Het hof heeft het hoger beroep ontvankelijk verklaard, ondanks het verweer van de advocaat-generaal dat verdachte geen grieven had ingediend.

Het hof acht bewezen dat verdachte op 4 september 2017 te [plaats] met een bedrijfsauto een overtreding beging door een som van aslasten van 5.050 kilogram te overschrijden, terwijl de toegestane maximummassa 3.500 kilogram bedroeg. Verdachte werd strafbaar geacht op grond van artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen.

Gezien eerdere soortgelijke overtredingen en het feit dat verdachte als een gewaarschuwd man geldt, legde het hof een onvoorwaardelijke geldboete van €4.000 op, subsidiair 50 dagen hechtenis, te voldoen in maandelijkse termijnen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld en bestraft door het hof.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €4.000 of 50 dagen hechtenis wegens overtreding van de Wet wegvervoer goederen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004628-18
Uitspraak d.d.: 3 september 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 25 juni 2018 met parketnummer 96-224734-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • primair: niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het door hem ingestelde hoger beroep op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
  • subsidiair: vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dit feit tot een geldboete van € 4.000,- subsidiair 50 dagen hechtenis, te voldoen in termijnen.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Verdachte is bij het hiervoor genoemde vonnis ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 4.000,- subsidiair 50 dagen hechtenis.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

Ontvankelijkheid hoger beroep

De advocaat-generaal heeft primair verzocht verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep te verklaren, nu verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, geen schriftuur houdende grieven of mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven.
Het hof vat hetgeen verdachte ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd op als een grief gericht tegen de door de economische politierechter opgelegde geldboete. Het hof acht verdachte derhalve ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij (handelende onder de naam [naam] Koeriersdiensten op of omstreeks 4 september 2017 te [plaats] , op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [adres] , beroepsvervoer of eigen vervoer heeft verricht, althans heeft doen verrichten, met een vrachtauto (motorrijtuig of samenstel van voertuigen), te weten een bedrijfsauto, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikelen 5.18.17a en 5.18.17b (beide) lid 1 van de Regeling voertuigen, aangezien die vrachtauto zodanig was beladen dat de totale massa, dan wel de som van de aslasten 5.050 kilogram, in elk geval meer dan de toegestane maximummassa van 3.500 kilogram, bedroeg;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij (handelende onder de naam [naam] Koeriersdiensten op 4 september 2017 te [plaats] , op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [adres] , beroepsvervoer heeft doen verrichten, met een vrachtauto (motorrijtuig of samenstel van voertuigen), te weten een bedrijfsauto, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , ten aanzien waarvan in strijd werd gehandeld met artikel 5.1.2 in verbinding met artikelen 5.18.17a en 5.18.17b (beide) lid 1 van de Regeling voertuigen, aangezien die vrachtauto zodanig was beladen dat de totale massa, dan wel de som van de aslasten 5.050 kilogram.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de financiële draagkracht van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken
Een medewerker van verdachte heeft op 4 september 2017 op de A28 bij [plaats] gereden met een te zwaar beladen vrachtauto. Het te zwaar beladen rijden kan gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.
De onderhavige zaak is ter zitting van het hof gezamenlijk, maar niet gevoegd, behandeld met een verdachte betreffende strafzaak (21-004627-18) waarin een soortgelijke overtreding werd geconstateerd. Deze overtreding werd gepleegd op gepleegd op 3 juli 2017. Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie valt voorts af te leiden dat een soortgelijke overtreding met pleegdatum 4 september 2017 in [plaats] is geseponeerd.
Na deze constateringen gold verdachte als een gewaarschuwd man, maar kennelijk heeft hij daar destijds geen lering uit getrokken. Dit leidt ertoe dat het hof in deze zaak geen aanleiding ziet om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof acht deze zaak door de advocaat-generaal gevorderde geldboete van € 4.000,- subsidiair 50 dagen hechtenis, te voldoen in maandelijkse termijnen van elk € 200,-, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2.6 van de Wet wegvervoer goederen.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het onder bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
50 (vijftig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de
geldboetemag worden voldaan in
20 (twintig) termijnenvan
1 maand, elke termijn groot
€ 200,00 (tweehonderd euro).
Aldus gewezen door
mr. W. Foppen, voorzitter,
mr. E. de Witt en mr. L.G. Wijma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,
en op 3 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.