ECLI:NL:GHARL:2020:7387

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 september 2020
Publicatiedatum
17 september 2020
Zaaknummer
21-004031-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 149 WVW 1994Art. 150 WVW 1994Art. 5.8.17b Regeling voertuigenArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis economische politierechter inzake overschrijding maximummassa vrachtwagen

In deze strafzaak stond de overschrijding van de maximaal toegestane massa van een vrachtwagen centraal. De economische politierechter had eerder het vonnis gewezen waarbij de strafbeschikking werd vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging, omdat de overschrijding minder dan 5 procent bedroeg. De officier van justitie stelde hiertegen hoger beroep in.

Het gerechtshof heeft het hoger beroep behandeld op 20 augustus 2020 en heeft de vordering van de advocaat-generaal tot vernietiging van het vonnis en oplegging van een geldboete van €360, te vervangen door 7 dagen hechtenis, beoordeeld. De verdediging heeft haar standpunt naar voren gebracht.

Het hof oordeelt dat de economische politierechter terecht heeft geoordeeld dat de overschrijding van de maximaal toegestane massa minder dan 5 procent bedroeg, waardoor vervolging niet is toegestaan volgens de Richtlijn voor Strafvordering Wet wegvervoer goederen. De stelling van de advocaat-generaal dat de ontheffing nietig is omdat een voorwaarde niet werd nageleefd, wordt verworpen omdat de verleende ontheffing geen beperking bevatte ten aanzien van de maximummassa.

Het hof bevestigt het vonnis van de economische politierechter en voegt een nadere motivering toe over de uitleg van de ontheffing en de toepasselijke regelgeving.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van niet-ontvankelijkheid wegens minder dan 5 procent overschrijding van de maximummassa.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004031-18
Uitspraak d.d.: 3 september 2020
TEGENSPRAAK
Arrestvan de economische kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 3 juli 2018 met parketnummer
96-195919-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot vernietiging van het vonnis van de economische politierechter en veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 360,-, te vervangen door 7 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. R. van Leusden, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter heeft bij vonnis van 3 juli 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, de strafbeschikking vernietigd en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. De economische politierechter heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat de maximaal toegestane massa met minder dan 5 procent werd overschreden, zodat vervolging van verdachte in strijd is met de Richtlijn voor Strafvordering Wet wegvervoer goederen.
Het hof is van oordeel dat de economische politierechter op juiste wijze heeft beslist.
Het hof zal het vonnis daarom bevestigen met de volgende aanvulling.
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep betoogd dat de ontheffing moet worden geacht niet te zijn verleend, nu één van de voorwaarden van die ontheffing, te weten de maximum toegestane massa, niet is nageleefd. Zij heeft ter onderbouwing verwezen naar de destijds geldende Instructie voertuigafmetingen.
Ingevolge artikel 149, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) kan ontheffing worden verleend van krachtens de WVW 1994 vastgestelde regels. Niet in geding is dat aan verdachte een ontheffing is verleend van artikel 5.8.17b van de Regeling voertuigen, op grond waarvan de gecombineerde maximummassa van de trekker en de oplegger in plaats van 50.000 kilogram 60.000 kilogram mag bedragen. Op grond van artikel 150, eerste lid, van de WVW 1994 kan een ontheffing onder beperkingen worden verleend en kunnen daaraan voorschriften worden verbonden. De redenering van de advocaat-generaal gaat kennelijk uit van de opvatting dat de aan verdachte verleende ontheffing ten aanzien van de maximummassa tegelijkertijd een beperking van die ontheffing inhoudt. Het hof volgt deze redenering niet. De tekst in de Instructie voertuigafmetingen laat weliswaar de mogelijkheid open dat aan een ontheffing een beperking wordt verbonden ten aanzien van de maximummassa van het voertuig, maar de aan verdachte verleende ontheffing bevat niet een dergelijke beperking.
Het voorgaande leidt tot bevestiging van het vonnis van de economische politierechter met aanvulling van gronden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden waarop dit berust.
Aldus gewezen door
mr. L.G. Wijma, voorzitter,
mr. W. Foppen en mr. E. de Witt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 3 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.