Betrokkene werd door de politierechter veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod op handel in verdovende middelen zoals neergelegd in de Opiumwet. Het hof heeft in hoger beroep de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel behandeld.
Uit het strafdossier en de bewijsvoering, waaronder verklaringen van betrokkene, politieprocessen-verbaal en digitale communicatie, blijkt dat betrokkene gedurende een periode drugs heeft verkocht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd op €19.320,00 geschat op basis van een berekening van opbrengsten minus kosten over een periode van twee jaar.
Hoewel betrokkene ontkende het gevorderde bedrag te hebben verdiend, acht het hof zijn eerdere verklaringen en het ondersteunend bewijsmateriaal geloofwaardig. Gezien de persoonlijke omstandigheden, waaronder een Wajong-uitkering en recente gedragsverbetering onder toezicht, stelt het hof de betalingsverplichting lager vast op €5.000,00 om ontwrichting te voorkomen.
Het hof vernietigt de eerdere beslissing en legt de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €5.000,00 op, met een maximale gijzelingstermijn van 200 dagen bij niet-betaling.