ECLI:NL:GHARL:2020:7403
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van Opiumwet
Betrokkene is bij arrest van het hof veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet. In hoger beroep is de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot een bedrag van €9.820,38 aan de orde gekomen.
Tijdens de terechtzitting heeft de advocaat-generaal namens het Openbaar Ministerie de afwijzing van deze vordering gevorderd, omdat niet aannemelijk was dat betrokkene daadwerkelijk financieel voordeel had genoten uit het bewezenverklaarde handelen. De raadsman van betrokkene heeft dit standpunt onderschreven.
Het hof heeft het strafdossier en de pleidooien zorgvuldig onderzocht en geoordeeld dat er geen bewijs is geleverd dat betrokkene financieel voordeel heeft behaald. Daarom heeft het hof de beslissing van de politierechter vernietigd en de vordering tot ontneming afgewezen. Dit arrest is uitgesproken op 16 september 2020 door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat betrokkene financieel voordeel heeft genoten.