ECLI:NL:GHARL:2020:741

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 januari 2020
Publicatiedatum
29 januari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.212.855/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6:2 AwbArt. 7:24 AwbArt. 20d WahvArt. 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kantonrechterbeslissing en ongegrondverklaring hoger beroep verkeersboete

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een verkeersboete opgelegd wegens het niet stoppen voor een rood licht op 6 maart 2014. De betrokkene erkende de overtreding, maar voerde persoonlijke omstandigheden aan en stelde dat de boete te hoog was. Tevens werd aangevoerd dat de officier van justitie de beslistermijn had overschreden.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter omdat niet kon worden vastgesteld dat de betrokkene behoorlijk was opgeroepen voor de zitting. De overige bezwaren tegen deze beslissing werden niet behandeld. Vervolgens oordeelde het hof dat de gedraging was verricht en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die matiging van de boete rechtvaardigen.

Hoewel de officier van justitie de beslistermijn niet had nageleefd, leidde dit niet tot vernietiging van de beschikking. De overschrijding had geen gevolgen voor de geldigheid van de opgelegde sanctie. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en de beslissing van de kantonrechter vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.212.855/01
CJIB-nummer
: 180019799
Uitspraak d.d.
: 29 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 12 september 2019 heeft het hof bepaald dat de onderhavige zaak wordt behandeld op een zitting van het hof, tenzij de gemachtigde binnen vier weken na dagtekening van dat arrest aangeeft van die gelegenheid geen gebruik te willen maken. De inhoud van dat arrest wordt als ingelast beschouwd.

Het verdere verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft niet meer gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 januari 2020, waar de gemachtigde van de betrokkene niet is verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. De overige tegen deze beslissing aangevoerde bezwaren kunnen derhalve buiten bespreking blijven. Voor terugwijzing is, zoals door de gemachtigde verzocht, gelet op artikel 20d, tweede lid, van de Wahv geen plaats.
2. Ter beoordeling van het hof staat nu het bij de kantonrechter ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 maart 2014 om 15:46 uur op de Hervensebaan in ‘s-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [YY-00-YY] .
3. In hoger beroep zijn door de gemachtigde geen verdere gronden ingediend. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de betrokkene zelf zowel administratief beroep als beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld. De betrokkene erkent in zijn beroepschriften de gedraging te hebben verricht, maar voert aan dat hij het vanwege persoonlijke omstandigheden waarin hij verkeerde niet redelijk vindt dat hij een dusdanig hoge boete opgelegd heeft gekregen, te meer nu hij slechts beschikt over een klein inkomen. Zijn moeder was net overleden en hij had kort daarvoor te horen gekregen dat zijn zwager ernstig ziek was. Hij is niet moedwillig door rood licht gereden. Daarnaast merkt hij op dat de beslistermijn van zestien weken door de officier van justitie is overschreden. Om die reden dient de inleidende beschikking volgens de betrokkene op grond van het bepaalde in artikel 6:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.
4. Gelet op de informatie in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging erkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er redenen zijn de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
5. Het hof overweegt hieromtrent dat de tariefmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wahv maakt dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor elke gedraging vastgestelde tarief af te wijken.
6. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, is in de onderhavige zaak geen sprake. De omstandigheid dat de betrokkene er vanwege de vervelende gebeurtenissen in zijn leven met zijn hoofd niet bij was, levert, hoe verdrietig deze gebeurtenissen ook zijn, geen omstandigheid op die aanleiding geeft af te wijken van de vastgestelde tarieven. Dat de betrokkene de gedraging niet met opzet heeft verricht, hetgeen het hof wil aannemen, levert evenmin een dergelijke omstandigheid op.
7. Met betrekking tot de beslistermijn van de officier van justitie overweegt het hof het volgende.
8. In artikel 7:24, eerste lid, van de Awb, is verder het volgende bepaald:
“Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.”
9. De beroepstermijn eindigde in dit geval, met inachtneming van het bepaalde in de Algemene termijnenwet, op 6 mei 2014. Gelet op het eerste lid van artikel 7:24 van Pro de Awb eindigde de beslistermijn op 27 augustus 2014. In een aan de betrokkene gezonden brief van het CJIB d.d.
1 juli 2015 is vermeld dat de officier van justitie tijdig een beslissing heeft genomen, maar dat deze beslissing per abuis niet is verstuurd. De beslissing is vervolgens op 15 juli 2015 aan de betrokkene toegestuurd. In het midden latend of de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep binnen de daarvoor geldende termijn is genomen, stelt het hof vast dat de beslissing pas op
15 juli 2015 is verzonden. Aldus heeft de betrokkene niet binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn kennis genomen althans kunnen nemen van de beslissing van de officier van justitie op zijn administratief beroep.
10. Onder de hiervoor omschreven omstandigheden is niet voldaan aan de strekking van de toepasselijke beslistermijn en moet worden geoordeeld dat niet tijdig is beslist in de zin van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb. Aanleiding tot het vernietigen van de inleidende beschikking geeft dit echter niet. Ook artikel 6:2 van Pro de Awb verbindt dit gevolg daar niet aan. Dit artikel vermeldt slechts dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit worden gelijkgesteld de schriftelijke weigering een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit. De vaststelling dat de officier van justitie niet tijdig op het administratief beroep heeft beslist, kan in de onderhavige zaak dan ook zonder gevolg blijven.
11. Voorgaande houdt in dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond zal worden verklaard.
12. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.