ECLI:NL:GHARL:2020:7422

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 september 2020
Publicatiedatum
18 september 2020
Zaaknummer
21-004368-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in witwaszaak

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep de ontnemingsvordering tegen betrokkene beoordeeld naar aanleiding van een eerdere veroordeling voor witwassen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Gelderland en deed opnieuw recht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €1.281.126,27, gebaseerd op een kasopstelling van legale inkomsten en uitgaven in de periode van 8 juli 2014 tot en met 14 maart 2015.

De verdediging voerde aan dat geen sprake was van wederrechtelijk voordeel en dat diverse bedragen in mindering moesten worden gebracht, waaronder de waarde van inbeslaggenomen goederen en terugbetalingen aan derden. Het hof verwierp deze verweren, behalve dat de waarde van inbeslaggenomen goederen in de executiefase in mindering zal worden gebracht. Daarnaast werden verbeurd verklaarde voorwerpen ter waarde van €1.705,00 in mindering gebracht.

De verdediging verzocht om matiging van de betalingsverplichting wegens onvoldoende draagkracht en schending van de redelijke termijn. Het hof oordeelde dat draagkracht op dit moment en in de toekomst niet aannemelijk ontbrak en dat de termijnoverschrijding reeds in de strafoplegging was meegewogen. De betalingsverplichting werd vastgesteld op €1.279.421,27, met een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen.

Uitkomst: Betrokkene is verplicht €1.279.421,27 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004368-17
Uitspraak d.d.: 17 september 2020
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 31 juli 2017 met parketnummer 05-780074-14 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen de hiervoor genoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 maart 2020 en 3 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de betrokkene en zijn raadsman, mr. L.R. Rommy, naar voren is gebracht.

De uitspraak waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met de uitspraak waarvan beroep zodat deze behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

De omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunten Openbaar Ministerie
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.392.969,56 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.392.969,56. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie zijn vordering gewijzigd in die zin dat hij heeft gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zou vaststellen op € 1.309.865,52.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 1.280.398,88 en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.280.398,88.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden afgewezen, nu de betrokkene geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de vordering een hoogte heeft van € 1.309.865,52 waarop een bedrag van € 583.096,82 in mindering dient te worden gebracht, zodat een totaalbedrag overblijft van € 726.768,70. Bij toewijzing van de vordering dient het te ontnemen bedrag tot dit bedrag beperkt te worden.
Oordeel hof
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 17 september 2020 (parketnummer (21-004212-17) ter zake van het plegen van witwassen een gewoonte maken, veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde financieel voordeel heeft genoten.
Een methode om te kunnen bepalen of de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, is te bekijken welke legale inkomsten de betrokkene heeft genoten en welke uitgaven hij in dezelfde periode heeft gedaan. Het verschil tussen deze twee – het deel van de uitgaven waarvoor geen legale bron kan worden aangewezen – wordt verondersteld wederrechtelijk te zijn verkregen.
Voor wat betreft de vraag welke legale inkomsten de betrokkene heeft genoten en welke uitgaven hij in diezelfde periode (8 juli 2014 – 14 maart 2015) heeft gedaan, verwijst het hof naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het op 17 september 2020 tegen de betrokkene gewezen arrest. Dit arrest wordt als bijlage aan dit arrest gehecht. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Het hof heeft bewezen verklaard dat de betrokkene een bedrag van € 1.281.126,27 in de periode van 8 juli 2014 tot en met 14 maart 2015 heeft witgewassen (geld waarvoor geen legale bron kan worden aangewezen). Dit bedrag staat in deze procedure daarom niet ter discussie.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat:
a. de inbeslaggenomen goederen met een waarde van € 518.500,00 in mindering op de ontnemingsvordering van € 1.309.865,52 dienen te worden gebracht;
b. de betwiste uitgaven genoemd onder punt 29 in de pleitnota (in totaal € 22.096,82) in mindering op voornoemd bedrag moeten worden gebracht;
c. € 17.000,00 van het voordeel dient te worden afgetrokken, nu de betrokkene dit bedrag aan de zoon van [naam 1] heeft teruggegeven;
d. een bedrag van € 26.000,00 van het voordeel moet worden afgetrokken, nu dit terugbetalingen betreffen aan [naam 2] in verband met een lening die betrokkene bij haar had.
Het hof heeft op de door de verdachte onder b, c en d genoemde verweren bij voornoemd arrest gereageerd en gemotiveerd aangegeven waarom de onder deze punten genoemde bedragen niet van de uitkomst van de kasopstelling (en daarmee dus ook niet van de ontnemingsvordering nu de kasopstelling de basis voor deze vordering vormt) dienen te worden afgetrokken. Voor de bespreking van deze verweren wordt verwezen naar het arrest. Ten aanzien van het onder a gevoerde verweer overweegt het hof dat de waarde van de inbeslaggenomen goederen uiteindelijk in de executiefase op het totaal door de betrokkene aan de Staat terug te betalen bedrag in mindering zal worden gebracht.
Conclusie
Het hof stelt vast dat de betrokkene tot een bedrag van € 1.281.126,27 uitgaven heeft gedaan waarvan de bron van herkomst onbekend is gebleven en waarvan dus wordt aangenomen dat deze bron illegaal is. Deze uitgaven worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene heeft tot voornoemd bedrag voordeel genoten. Het hof schat het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve op € 1.281.126,27.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Draagkracht
De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof verzocht de op te leggen betalingsverplichting te matigen. Zoals volgt uit de arbeidsovereenkomst van betrokkene en zijn partner is er weliswaar inkomen, maar is dit inkomen te beperkt en in ieder geval niet voldoende om het toe te wijzen bedrag terug te betalen. Van het inkomen moet daarnaast de zorg over de kinderen betaald worden. Het valt niet te verwachten dat de betrokkene nu, of in de toekomst, voldoende draagkracht heeft om het gehele bedrag terug te betalen, zodat matiging op zijn plaats is, aldus de verdediging.
Blijkens rechtspraak van de Hoge Raad kan in een ontnemingszaak de draagkracht van de betrokkene alleen dan met succes aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
Het hof verwerpt het draagkrachtverweer, omdat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene op dit moment in het geheel geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende financiële draagkracht aanwezig is, dan zal daarover desgevraagd in de executiefase kunnen worden geoordeeld.
Redelijke termijn
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgehad binnen de redelijke termijn. Volgens de advocaat-generaal hoeven hier echter geen consequenties aan te worden verbonden, nu eventuele compensatie kan worden verdisconteerd in de strafzaak.
De verdediging heeft bepleit dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd, aangezien de redelijke termijn is geschonden.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft geconstateerd dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgehad binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Met de langere duur van de behandeling is bij de strafoplegging in de hoofdzaak evenwel al rekening gehouden. Het hof ziet daarom geen aanleiding aan die termijnoverschrijding ook consequenties te verbinden voor wat betreft de beslissing in de ontnemingszaak en volstaat met de constatering van de overschrijdingen.
Verbeurd verklaarde voorwerpen
Bij arrest van 17 september 2020 heeft het hof een sieraad ter waarde van € 180,00 en een horloge ter waarde van € 1.525,00 verbeurd verklaard. Het hof zal deze bedragen in mindering brengen op de op te leggen betalingsverplichting.
Het hof zal derhalve aan de betrokkene de verplichting opleggen om een bedrag van
€ 1.279.421,27 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 1.281.126,27 (een miljoen tweehonderdeenentachtigduizend honderdzesentwintig euro en zevenentwintig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 1.279.421,27 (een miljoen tweehonderdnegenenzeventigduizend vierhonderdeenentwintig euro en zevenentwintig cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door
mr. K.A.J.M. Wetzels, voorzitter,
mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. M.H.D.M. van Leent, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.G. Ruissaard, griffier,
en op 17 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 17 september 2020.
Tegenwoordig:
mr. R.H. Koning, voorzitter,
mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal,
mr. E.G. Ruissaard, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De betrokkene is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.