De betrokkene werd bij inleidende beschikking beboet voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op de A4 te Schipluiden op 2 mei 2017. De betrokkene voerde aan dat hij geen mobiele telefoon, maar een handscanner vasthield, die niet onder het verbod van artikel 61a RVV 1990 valt. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld.
Het hof stelde vast dat de hoorplicht in de procedure bij de officier van justitie was geschonden en vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en die van de officier van justitie. Bij beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking oordeelde het hof dat de ambtenaar tijdens de staandehouding een zwarte Samsung telefoon in de hand van de betrokkene had gezien, terwijl de scanner blauw was. Hierdoor stond vast dat de betrokkene de mobiele telefoon vasthield.
Het hof verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene werd dus in het ongelijk gesteld en de boete bleef van kracht.
De uitspraak werd gewezen door mr. Sekeris en uitgesproken te Leeuwarden op 18 september 2020.