AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen oplegging administratieve sanctie wegens niet verlenen voorrang bij haaientanden
De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €230 opgelegd wegens het niet verlenen van voorrang bij haaientanden op de Anderlechtlaan in Amsterdam op 10 juli 2016. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder omdat de bestuurder niet was staande gehouden. De betrokkene stelde dat de ambtenaar ten onrechte geen poging tot staandehouding had gedaan en dat de verklaring dat vanwege werkzaamheden bij een evenement geen staandehouding mogelijk was, onvoldoende was.
Het hof oordeelde dat artikel 5 vanPro de Wahv vereist dat de ambtenaar de bestuurder staande houdt om diens identiteit vast te stellen, tenzij er geen reële mogelijkheid was om dit te doen. De verklaring van de ambtenaar dat hij vanwege werkzaamheden bij het evenement 'Ride of the Century' niet kon staande houden, was onvoldoende onderbouwd. Er was geen nadere informatie over de aard van deze werkzaamheden en het openbaar ministerie had dit niet nader onderzocht.
Daarom concludeerde het hof dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd en vernietigde het vonnis van de kantonrechter en de sanctiebeschikking. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan de betrokkene.
Uitkomst: De sanctie tegen de kentekenhouder wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de bestuurder niet kon worden staande gehouden.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.240.837/01
CJIB-nummer
: 199581079
Uitspraak d.d.
: 24 september 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is aanvullende informatie in het geding gebracht.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop gereageerd.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “bij op wegdek aangebrachte haaientanden geen voorrang verlenen aan bestuurders op kruisende weg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 juli 2016 om 13:00 uur op de Anderlechtlaan in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat niet is gebleken dat de ambtenaar de bestuurder niet kon staande houden. De verklaring van de ambtenaar dat hij vanwege ‘overige werkzaamheden’ niet kon staande houden is geen geldige reden. Er is dan ook ten onrechte op kenteken bekeurd.
3. Uit artikel 5 vanPro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Opmerkingen ambtenaar 1: Betrokkene blokkeerde het verkeer dat reeds op de rotonde reed. Betrokkene deed dit om het verkeer dat de voorrangsrotonde op wilde rijden ongehinderd hun weg te laten vervolgen zonder dat deze richting voorrang had. Voor de rotonde waren haaientanden op het wegdek gelden voor het verkeer dat de rotonde op wilde rijden. (…) Reden geen staandehouding: ivm overige werkzaamheden tbv ride of the century.”
5. Uit het zaakoverzicht volgt dat de ambtenaar de betrokkene niet heeft staandegehouden vanwege overige werkzaamheden ten behoeve van ride of the century. Het hof is van oordeel dat hieruit onvoldoende blijkt dat zich in dit geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding voordeed. De ambtenaar heeft niet aangegeven wat de overige werkzaamheden met betrekking tot ride of the century precies inhielden en het openbaar ministerie heeft hieromtrent geen nadere informatie bij de ambtenaar opgevraagd. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 vanPro de Wahv, door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. 6. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Beslist wordt daarom als hierna is vermeld.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie procespunten te worden toegekend. Aan de reactie op de door de advocaat-generaal ingebrachte stukken dient een half punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 918,75
(= 3,5 x € 525,- x 0,5).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 918,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.