ECLI:NL:GHARL:2020:7700
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gevangenisstraf en niet-ontvankelijkheid benadeelde partijen in schadevorderingen
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter van 21 augustus 2018. De verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken met aftrek van voorarrest. Het hof heeft het vonnis in stand gelaten, behalve ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen.
De benadeelde partijen hadden zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met schadevorderingen van respectievelijk € 1.290,74 en € 1.268,44. In hoger beroep werden deze vorderingen verlaagd of aangepast, maar het hof oordeelde dat onvoldoende duidelijk was welke kosten nog aan de orde waren. Hierdoor zou verdere behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.
Daarom verklaarde het hof de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalde dat zij deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd. De kosten voor de benadeelde partijen werden begroot op nihil. De uitspraak werd gewezen door mr. L.J. Bosch, mr. W. Foppen en mr. R.R.H. Laurens, waarbij laatstgenoemde niet medeondertekende.
Uitkomst: De gevangenisstraf van drie weken wordt bevestigd en de benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen.