De zaak betreft hoger beroep tegen twee machtigingen tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen in het kader van een ondertoezichtstelling. De moeder betwist de rechtmatigheid van deze machtigingen en verzoekt om terugplaatsing van de kinderen bij haar met een begeleide omgangsregeling met de vader.
Het hof oordeelt dat de machtiging van november 2019 noodzakelijk was vanwege de onveilige opvoedingssituatie door de langdurige ouderstrijd, maar dat deze machtiging niet is geëffectueerd en derhalve vervallen is. De machtiging van maart 2020 is verleend na spoedplaatsing, maar het hof vernietigt deze omdat niet de ouderstrijd, maar de (persoonlijkheids)problematiek van de vader de onveilige situatie voor de kinderen in stand houdt.
De vader vertoont destructief gedrag, waaronder bedreigingen en vernederingen van de moeder, wat schadelijk is voor de kinderen. De vader is strafrechtelijk veroordeeld en moet zich laten behandelen. Het hof bepaalt dat de kinderen per direct bij de moeder kunnen wonen, mits zij beschermd wordt tegen de vader, en dat de omgang met de vader begeleid moet worden totdat zijn behandeling succesvol is afgerond.