ECLI:NL:GHARL:2020:7748

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 september 2020
Publicatiedatum
28 september 2020
Zaaknummer
21-001418-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 422 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs bij beschuldiging van ontuchtige handelingen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland waarin verdachte was beschuldigd van het dwingen tot ontuchtige handelingen door het betasten van de benadeelde. De tenlastelegging betrof een incident van september 2018 waarbij verdachte werd beschuldigd van het ongewenst aanraken van de broek en billen van de benadeelde.

Tijdens het hoger beroep werd vastgesteld dat de verklaringen van de benadeelde en verdachte op het essentiële punt van het betasten uiteenliepen. De enige mogelijke ondersteuning van de aangifte was de verklaring van een getuige, de teamleider van de benadeelde, die echter pas vier maanden na het incident was afgelegd. Gezien het tijdsverloop en de werkrelatie tussen getuige en benadeelde achtte het hof het niet uitgesloten dat de herinnering van de getuige onbewust beïnvloed kon zijn, waardoor deze verklaring niet tot het bewijs werd gerekend.

Het hof concludeerde dat de aangifte onvoldoende werd ondersteund door ander bewijs en sprak verdachte vrij van het tenlastegelegde. Tevens werd de schadevordering van de benadeelde afgewezen wegens het ontbreken van een bewezenverklaring. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met deze vrijspraak.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs en de schadevordering van de benadeelde wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001418-20
Uitspraak d.d.: 29 september 2020
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 10 maart 2020 met parketnummer 05-086494-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2003,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.J. Nijhof, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2018 te Harderwijk, [benadeelde] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door meermalen, althans eenmaal (telkens) onverhoeds zijn hand in de broek van die van [benadeelde] te steken en/of de billen van die van [benadeelde] te betasten;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot een bewezenverklaring.
De raadsman van verdachte heeft gepleit voor vrijspraak. De raadsman heeft daartoe onder andere, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat er naast de aangifte onvoldoende steunbewijs is om te komen tot een bewezenverklaring. De verklaring van getuige [getuige] is pas op 22 januari 2019, een kwartaal na het gebeuren, afgelegd. In de tussentijd heeft hij meerdere gesprekken met aangeefster én verdachte gevoerd over het gebeuren. Het is dan ook de vraag hoe accuraat zijn weergave van hetgeen hij heeft gehoord in het kantoortje is geweest. Verder is [getuige] volgens de raadsman ook niet consistent in zijn verklaring.
Het hof overweegt het volgende. De verdachte heeft verklaard dat hij kauwgom van de broek van aangeefster heeft gehaald. Hij heeft ten stelligste ontkend (daarbij) met zijn hand in de broek van aangeefster te zijn gegaan en daarmee lopen de verklaringen van aangeefster en verdachte op het essentiële punt uiteen. De vraag is vervolgens of de verklaring van aangeefster in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het enige bewijsmiddel in het dossier dat de aangifte zou kunnen ondersteunen is de verklaring van getuige [getuige] , de teamleider van aangeefster. Deze verklaring is echter pas vier maanden na het gebeuren afgelegd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat door het tijdsverloop in combinatie met het contact dat voortvloeit uit de werkrelatie tussen aangeefster en [getuige] , niet valt uit te sluiten dat de herinnering van [getuige] (onbewust) is beïnvloed. Deze verklaring zal dan ook niet tot het bewijs worden gebezigd. Aldus is het hof van oordeel dat de aangifte te weinig steun vindt in andere bewijsmiddelen en er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is, zodat verdachte van het tenlastegelegde behoort te worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.050,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 215,99. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. K.A.J.M. Wetzels en mr. M.J. Vos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. W.C.S. Huijbers, griffier,
en op 29 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 29 september 2020.
Tegenwoordig:
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. J. Zeilstra, advocaat-generaal,
mr. W.C.S. Huijbers, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.