Appellant vordert terugbetaling van een geldlening van NLG 25.000 die in 1996 mondeling zou zijn verstrekt, met terugbetaling uiterlijk eind 1996. Geïntimeerde betwist de lening en voert verjaring aan. Appellant stelt dat de verjaring is gestuit door erkenningen en aanmaningen, waaronder e-mails uit 2007 en 2012.
De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde voor stuiting van verjaring. Het hof bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant niet heeft aangetoond dat er vóór 2007 stuitingshandelingen waren. Ook mondelinge erkenningen zijn onvoldoende concreet en worden niet bewezen. De e-mail van 28 september 2012 erkent de schuld wel, maar dit leidt niet tot een nieuwe verjaringstermijn voor de eerdere jaren.
Daarnaast vordert appellant de afgifte van een litho van Herman Brood, waarvan hij eigenaar stelt te zijn. Geïntimeerde heeft de litho inmiddels teruggegeven, waardoor het belang bij deze vordering is komen te vervallen. Het hof stelt appellant in het gelijk voor het eigendomsrecht, maar wijst de vordering af wegens gebrek aan belang.
Het hof bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank, veroordeelt geïntimeerde in de kosten van het incident en compenseert de overige proceskosten. Het hoger beroep strandt voor het deel van de geldlening vanwege verjaring.