AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie over snelheidsovertreding en financiële omstandigheden
De betrokkene stelde beroep in tegen een administratieve sanctie opgelegd wegens een snelheidsovertreding van 19 km/h op de A12. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter vanwege een motiveringsgebrek, omdat deze niet is ingegaan op het argument dat de officier van justitie ten onrechte geen rekening hield met de financiële situatie van de betrokkene.
De officier van justitie had de sanctie gemotiveerd afgewezen met de stelling dat de Wahv geen ruimte biedt voor rekening houden met financiële omstandigheden. Het hof oordeelt dat dit onjuist is, omdat artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv wel een discretionaire bevoegdheid tot matiging biedt bij bijzondere persoonlijke omstandigheden, waaronder financiële situatie.
Het hof vernietigt daarom de beslissing van de officier van justitie en verklaart het beroep tegen deze beslissing gegrond. Vervolgens beoordeelt het hof het beroep tegen de inleidende beschikking en stelt vast dat de overtreding voldoende is bewezen aan de hand van foto’s en het zaakoverzicht. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld.
Uitkomst: Beslissing officier van justitie vernietigd wegens onjuiste rechtsopvatting over financiële omstandigheden; beroep tegen snelheidsovertreding ongegrond verklaard.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.450/01
CJIB-nummer
: 205616135
Uitspraak d.d.
: 5 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 april 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte de beroepsgrond gericht tegen de beslissing van de officier van justitie onbesproken heeft gelaten. De beslissing van de kantonrechter lijdt daarmee aan een motiveringsgebrek en dient dan ook te worden vernietigd.
2. Artikel 13, tweede lid, van de Wahv bepaalt dat de beslissing van de kantonrechter met redenen is omkleed.
3. Het hof stelt met de gemachtigde vast dat de kantonrechter in het geheel niet is ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde grond. Hoewel de kantonrechter niet is gehouden om op ieder argument expliciet in te gaan, mag wel worden verwacht dat uit de beslissing blijkt dat de aangevoerde gronden in de afweging zijn betrokken. Nu de kantonrechter deze grond onbesproken heeft gelaten, voldoet de beslissing niet aan de eis van artikel 13, tweede lid, van de Wahv. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
4. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie heeft namelijk overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd.
5. beslissing van de officier van justitie is - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:
''U verzoekt ook om rekening te houden met uw financiële omstandigheden. De Wahv voorziet er niet in om hiermee rekening te houden. Uw verzoek wordt afgewezen.''
6. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze een onjuiste rechtsopvatting bevat. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan de officier van justitie gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert namelijk wel degelijk een lager bedrag van de administratieve sanctie vaststellen.
7. De regelgever heeft de omstandigheden die kunnen leiden tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid tot matiging van de sanctie willen beperken tot uitzonderlijke omstandigheden die in de persoonlijke sfeer van de betrokkene liggen, en die, indien aannemelijk geworden, de verwijtbaarheid van de gedraging weliswaar niet opheffen, doch wel in zekere mate kunnen verminderen.
Verder is in de jurisprudentie aanvaard dat de financiële omstandigheden waarin de betrokkene verkeert onder omstandigheden kunnen meebrengen dat het sanctiebedrag moet worden verlaagd.
8. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie in het onderhavige geval niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze een onjuiste rechtsopvatting bevat. Vervolgens is de vraag aan de orde of het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb kan worden gepasseerd.
''Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.''
10. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld.
11. Het hof is van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene door het motiveringsgebrek niet is benadeeld. Immers, het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van een sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dat rechtvaardigen. Nu in de administratieve fase door de gemachtigde is verzocht om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene en deze grond als zodanig niet bij de beoordeling is betrokken, is het hof van oordeel dat de betrokkene is benadeeld door de (gedeeltelijke) gebrekkige motivering en dat geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 6:22 vanPro de Awb.
12. Gelet hierop zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
13. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 153,- opgelegd voor: ''overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 19 km/h (verkeersbord A1).'' Deze gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2017 om 2.53 uur op de A12 in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
14. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene betwist de gedraging te hebben verricht. In de onderhavige zaak is geen sprake van een ambtsedige verklaring. De verklaring die is opgenomen in het zaakoverzicht kan niet als zodanig worden aangemerkt, zodat daaraan geen bijzondere bewijskracht toekomt. De verklaring van de betrokkene staat daarmee qua bewijswaarde gelijk aan de verklaring van de ambtenaar. Op basis van de beschikbare stukken kan dan ook niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
15. Het hof stelt voorop dat de Wahv niet de eis stelt dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
16. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
''De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, geijkt en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid : 123 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 119 km per uur.
Toegestane snelheid : 100 km per uur.
Overschrijding met : 19 km per uur.''
17. Voorts bevinden zich in het dossier twee foto’s van de gedraging. Hierop is een voertuig met kenteken [00-YY-YY] te zien. De gegevens in de databalk bij deze foto’s stemmen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.
18. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bovengenoemde gegevens. De enkele betwisting dat de gedraging is verricht, is daarvoor onvoldoende. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren.
19. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
20. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.