ECLI:NL:GHARL:2020:8052

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
6 oktober 2020
Zaaknummer
200.264.765
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag bewindvoerder wegens gebrek aan medewerking en onvoldoende optreden

De kantonrechter had eerder Bewindvoerderskantoor [verweerster] B.V. benoemd tot bewindvoerder en mentor van de rechthebbende vanwege diens lichamelijke en geestelijke toestand. De rechthebbende verzocht om ontslag van deze bewindvoerder en benoeming van een opvolger, maar dit verzoek werd afgewezen.

In hoger beroep staat de vraag centraal of er gewichtige redenen zijn om de huidige bewindvoerder ambtshalve te ontslaan op grond van artikel 1:448 lid 2 BW Pro. De rechthebbende lijdt aan geheugenproblemen door dementie en heeft een bewindvoerder nodig. [verweerster] heeft geprobeerd telefonisch en per e-mail contact te leggen, maar dit werd afgehouden door de rechthebbende en diens zoons. Er zijn geen persoonlijke contactpogingen gedaan.

Hoewel de situatie ernstig is, heeft [verweerster] onvoldoende doortastend opgetreden en geen plan gepresenteerd om verbetering te bewerkstelligen. Het hof constateert ook een gebrek aan medewerking van de rechthebbende en diens zoons. Gezien deze omstandigheden is voortzetting van het bewind door de huidige bewindvoerder niet in het belang van de rechthebbende, waardoor sprake is van een gewichtige reden voor ontslag.

Het hof vernietigt de eerdere beschikking en verleent ontslag aan [verweerster] als bewindvoerder met ingang van de dag dat de kantonrechter een opvolgend bewindvoerder benoemt. Het overige meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof verleent ontslag aan de bewindvoerder wegens onvoldoende doortastendheid en gebrek aan medewerking, en benoemt een opvolgend bewindvoerder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.264.765
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 7558712)
beschikking van 6 oktober 2020
inzake
[verzoeker],
wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. M. Huisman te Amersfoort,
en
Bewindvoerderskantoor [verweerster] B.V.,
gevestigd te Vortum-Mullem, gemeente Boxmeer,
verweerster, verder te noemen: [verweerster] .
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[belanghebbende1],
wonende te [B] (Verenigde Staten van Amerika),
verder te noemen: [belanghebbende1] ,
en
[belanghebbende2],
wonende te [C] ,
verder te noemen: [belanghebbende2] ,
en
[belanghebbende3],
wonende te [A] ,
verder te noemen: [belanghebbende3] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kantonrechter) van 20 mei 2019 uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: “de bestreden beschikking”).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 augustus 2019;
  • een brief met bijlagen van [verweerster] , en
  • een journaalbericht van 26 maart 2020 van mr. Huisman met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 27 augustus 2020 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de advocaat van de rechthebbende;
  • [D] (mentor van verzoeker) en [E] namens [verweerster] , en
  • [belanghebbende2] .
De rechthebbende, [belanghebbende1] en [belanghebbende3] waren niet aanwezig.

3.De feiten

De kantonrechter heeft in de beschikking van 29 juni 2018, hersteld bij beschikking van 30 augustus 2018, de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand, onder bewind gesteld en een mentorschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende. Verder heeft de kantonrechter Bewindvoerderskantoor [verweerster] B.V. tot bewindvoerder(s) en tot mentor(en) benoemd.

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot ontslag van Bewindvoerderskantoor [verweerster] B.V. en tot benoeming van [F] , handelende onder de naam Bewindvoering [G] tot opvolgend bewindvoerder, afgewezen.
4.2
De rechthebbende is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad -:
  • [verweerster] ontslag te verlenen als bewindvoerder over de goederen van hem met ingang van een datum twee weken na een beschikking van dit hof, en
  • [F] handelende onder de naam Bewindvoering [G] tot opvolgend bewindvoerder te benoemen.
4.3.
[verweerster] heeft het hof een brief gestuurd met zijn visie op de situatie van de rechthebbende.

5.De motivering van de beslissing

5.1
In artikel 1:448 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de gronden voor ontslag van een bewindvoerder geregeld. In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of er gewichtige redenen zijn om [verweerster] - ambtshalve - te ontslaan als bewindvoerder.
5.2
De rechthebbende heeft volgens het indicatiebesluit van 24 mei 2018 geheugenproblemen door een vorm van dementie. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechthebbende een bewindvoerder nodig heeft. Op de mondelinge behandeling heeft [verweerster] toegelicht dat geprobeerd is telefonisch en per e-mail contact met de rechthebbende te krijgen. Dit is volgens [verweerster] niet gelukt omdat het contact door de rechthebbende en diens zoon(s) wordt afgehouden. Er zijn vanuit [verweerster] geen pogingen gedaan om persoonlijk in contact te komen met de rechthebbende. De rechthebbende ontvangt geen leefgeld omdat dit volgens [verweerster] in verkeerde handen zou vallen. [verweerster] ziet dit niet als problematisch, omdat vanuit een persoonsgebonden budget zorg vanuit verzorgingshuis [H] wordt betaald. De facturen aan [H] zijn tot en met mei 2020 betaald. Er is een betaalachterstand aan [H] van drie maanden.
5.3
De door [verweerster] zelf geschetste omstandigheden zijn ernstig. Niettemin is niet gebleken van doortastend optreden door [verweerster] : hij wijst vooral naar het gebrek aan medewerking van de rechthebbende en diens zoon(s). Desgevraagd heeft [verweerster] geen plan om door middel van nadere stappen of een ander beleid tot een verbetering van de ontstane situatie te komen. Hoewel [verweerster] naar het oordeel van het hof onvoldoende stappen heeft ondernomen richting de rechthebbende om tot een goede uitoefening van het bewind te komen, constateert het hof ook een gebrek aan medewerking van (de zoons van) de rechthebbende. In deze situatie is voortzetting van het bewind door de huidige bewindvoerder niet in het belang van de rechthebbende en daarmee is sprake van een gewichtige reden in de zin van artikel 1:448 lid 2 BW Pro. Het hof zal [verweerster] daarom ontslag verlenen per de datum dat de kantonrechter een nieuwe bewindvoerder heeft benoemd.
5.5
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als hierna vermeld.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 20 mei 2019, en opnieuw beschikkende:
verleent Bewindvoerderskantoor [verweerster] B.V. ontslag als bewindvoerder [verzoeker] , geboren [in] 1928 te [A] , met ingang van de dag dat de kantonrechter een opvolgend bewindvoerder heeft benoemd;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, J.B. de Groot en A.L.H. Ernes, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 6 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.