ECLI:NL:GHARL:2020:8138

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 oktober 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
21-004558-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994Art. 23 SrArt. 24 SrArt. 24c SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gevaarlijk rijgedrag met aanhangwagen op provinciale weg

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter Noord-Nederland, waarin verdachte was veroordeeld voor het veroorzaken van gevaar op de weg op 18 april 2018.

Verdachte bestuurde een land- of bosbouwtrekker met een aanhangwagen (giertank) op de Provinciale Weg N-390 en verloor bij het naderen van een bocht de controle over het voertuig, waardoor de aanhangwagen kantelde en tegen een tegemoetkomend voertuig botste. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte door zijn rijgedrag gevaar en hinder op de weg veroorzaakte.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis vanwege onvoldoende motivering en deed opnieuw recht. Het legde een geldboete van €600 op, te vervangen door 12 dagen hechtenis, en wees een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid af. Verdachte had geen strafblad en beschikte over beperkte inkomsten, maar kon de boete betalen. De straf werd passend geacht gezien de ernst en omstandigheden van het feit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van €600, te vervangen door 12 dagen hechtenis wegens het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004558-19
Uitspraak d.d.: 8 oktober 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2019 met parketnummer 18-182500-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 september 2020. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die strekt tot veroordeling van verdachte tot een geldboete van € 600,-, te vervangen door 12 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 600,-, te vervangen door twaalf dagen hechtenis.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis niet voldoet aan de wettelijke eis dat het proces-verbaal van de zitting, naast de uitwerking van de aantekening mondeling vonnis, tevens een uitwerking van de gehanteerde bewijsmiddelen dient te bevatten. Aldus leent dat vonnis zich niet voor bevestiging. Het hof doet opnieuw recht.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 18 april 2018 te of bij [plaats] , in de gemeente [naam gemeente] , als bestuurder van een motorrijtuig (land- of bosbouwtrekker met één aanhangwagen, te weten een giertank), daarmede heeft gereden op de weg, de Provinciale Weg N-390, en toen de brug over de Tsjerk Hiddessluizen is overgestoken, waarna hij, verdachte, bij nadering van een bocht (gezien verdachtes rijrichting) naar rechts, voornemens was om de weg, de Oude Ringmuur, rechts afslaand op te rijden, en toen met een zodanig hoge snelheid is gaan of blijven rijden, dat hij, verdachte, de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft verloren, immers is de door zijn, verdachtes, voertuig voortbewogen aanhangwagen daarbij gaan stuiteren en (vervolgens) in die bocht gaan kantelen, waarbij die aanhangwagen tegen een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomend motorrijtuig (bestelauto) is gevallen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 april 2018 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig (land- of bosbouwtrekker met één aanhangwagen, te weten een giertank), daarmede heeft gereden op de weg, de Provinciale Weg N-390, en toen de brug over de Tsjerk Hiddessluizen is overgestoken, waarna hij, verdachte, bij nadering van een bocht (gezien verdachtes rijrichting) naar rechts, voornemens was om de weg, de Oude Ringmuur, rechts afslaand op te rijden, en toen met een zodanig hoge snelheid is blijven rijden, dat hij, verdachte, de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft verloren, immers is de door zijn, verdachtes, voertuig voortbewogen aanhangwagen daarbij gaan stuiteren en (vervolgens) in die bocht gaan kantelen, waarbij die aanhangwagen tegen een hem, verdachte, over die weg tegemoetkomend motorrijtuig (bestelauto) is gevallen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft als bestuurder van een motorrijtuig gevaar op de weg veroorzaakt en het verkeer op de weg gehinderd. Het was verdachtes verantwoordelijkheid als bestuurder om een juiste inschatting van de situatie ter plaatse te maken en de bocht in kwestie op een veilige en verantwoorde wijze te nemen, te meer nu verdachte was belast met het besturen van een grote, zware voertuigcombinatie. Dat verdachte dit heeft nagelaten en deze overtreding heeft gepleegd, rechtvaardigt gezien de omstandigheden dat hem een straf wordt opgelegd.
Het hof neemt in aanmerking dat blijkens verdachtes strafblad geen sprake is van recidive en dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verder houdt het hof er rekening mee dat verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken, over beperkte inkomsten beschikt, maar een boete zoals in eerste aanleg is opgelegd zegt te kunnen opbrengen, waarbij verdachte geen prijsstelt op de mogelijkheid om in termijnen te betalen.
Alles overziend acht het hof een geldboete van € 600,-, te vervangen door 12 dagen hechtenis, zoals ook in eerste aanleg is opgelegd, een passende en geboden bestraffing.
Oplegging van een bijkomende straf als gevorderd door de advocaat-generaal acht het hof niet noodzakelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 600,00 (zeshonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
12 (twaalf) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mrs. O. Anjewierden en L.G. Wijma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Huizenga, griffier,
en op 8 oktober 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.