ECLI:NL:GHARL:2020:8192

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 oktober 2020
Publicatiedatum
9 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.809/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5.1.1 Regeling voertuigenArt. 5.2.42 Regeling voertuigenArt. 5.18.4 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete voor rijden met zichtbelemmering door lading op zijruit

De betrokkene werd beboet voor het rijden met onvoldoende zicht door de voorruit en/of voorste zijruiten vanwege lading op de bijrijdersstoel. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de feitcode onjuist was toegepast en dat de zichtbelemmering niet kon worden vastgesteld omdat de ambtenaar niet op de bestuurdersstoel had plaatsgenomen. Het hof constateerde dat de officier van justitie zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd door het verweer over de feitcode niet te behandelen, waardoor het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd.

Het hof beoordeelde de feiten aan de hand van foto's waarop duidelijk was dat de lading het zicht door de voorste zijruit aan de bijrijderszijde vrijwel geheel belemmerde. De juiste feitcode was volgens het hof P041a, die ziet op het gebruik van het voertuig en zichtbelemmering door lading, en niet N420b, die ziet op bouw- en inrichtingseisen van het voertuig.

Daarom bleef de boete in stand en werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het hof wees het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond, vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep gegrond.

Uitkomst: Boete van €230,- voor rijden met zichtbelemmering door lading wordt gehandhaafd; beroep tegen boete ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.809/01
CJIB-nummer
: 209941735
Uitspraak d.d.
: 9 oktober 20203
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 23 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie zijn beslissing niet deugdelijk heeft gemotiveerd door onder meer zijn verweer omtrent het toepassen van de onjuiste feitcode onbesproken te laten. De kantonrechter heeft dit ten onrechte niet onderkend, aldus de gemachtigde.
2. Uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie blijkt dat deze in het geheel niet is ingegaan op het verweer van de gemachtigde omtrent de in deze zaak toegepaste feitcode. In zoverre lijdt de beslissing van de officier van justitie aan een motiveringsgebrek. Met de gemachtigde stelt het hof vast dat de kantonrechter dit niet heeft onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Hetgeen overigens tegen deze beslissingen is aangevoerd behoeft daarmee geen bespreking meer.
3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten (feitcode P041a)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 augustus 2017 om 15:44 uur op de Vuurvlindersingel in Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
4. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. De voorwerpen op de foto’s zijn niet per se belemmerend voor het uitzicht door de zijruit. Betrokkene is lang genoeg om er eenvoudig overeen te kijken. Omdat de ambtenaar geen plaats wilde nemen op de bestuurdersstoel heeft hij niet kunnen vaststellen dat er sprake was van enige belemmering van het zicht. Daarnaast is de verkeerde feitcode in deze zaak toegepast. In plaats van feitcode P041a is, als de betrokkene al in overtreding was, feitcode N420b van toepassing in een situatie als de onderhavige.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor onder meer een gedraging die door deze ambtenaar zelf is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat - voor zover hier van belang - de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: zie foto’s. Onvoldoende zicht naar rechts”
7. Verder bevat het dossier een drietal foto's waarop een voertuig met lading is te zien. De eerste foto is genomen vanaf de bestuurderskant van het voertuig. Daarop is te zien dat er twee pakketten over de bijrijdersstoel liggen. Het bovenste pakket ligt schuin over de hoofdsteun van de bijrijdersstoel in de richting van de zijruit gekanteld en steekt in de richting van het dashboard (bijna) tegen de voorruit aan. Hierdoor is het zicht door de zijruit aan de bijrijderszijde nagenoeg geheel verdwenen. De tweede foto is genomen vanaf de andere zijde van het voertuig. Te zien is dat de lading het zicht op een eventuele bestuurder van het voertuig (zo goed als) volledig ontneemt. De derde foto is van de voorzijde van het voertuig genomen en bevestigt het beeld van de eerste twee foto’s, zoals hiervoor beschreven.
8. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de stukken in het dossier worden vastgesteld dat er met voormeld voertuig is gereden, terwijl het uitzicht via de voorste zijruit aan de bijrijderszijde door de op de bijrijdersstoel bevindende lading nagenoeg geheel ontnomen werd. Anders dan de gemachtigde stelt, kan deze gedraging ook op andere wijze worden geconstateerd dan door plaats te nemen in het voertuig. Op de foto's is goed te zien dat de lading het zicht door de zijruit aan de passagierskant belemmert. De enkele stelling van de gemachtigde dat er wel voldoende zicht was, is onvoldoende om aan de gegevens in het dossier te twijfelen.
9. Met betrekking tot het verweer dat de onjuiste feitcode is toegepast, overweegt het hof als volgt.
10. Feitcode N420b ziet op een overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid, onder c in verbinding met artikel 5.2.42 van de Regeling voertuigen (Rv).
11. Genoemde artikelen luiden - voor zover hier van belang -:
 Artikel 5.1.1:
"1. Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder
verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
(…)
c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen."
 Artikel 5.2.42, tweede lid, - voor zover hier van belang -:
Eisen
De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
12. Feitcode P041a ziet op een overtreding van artikel 5.18.4, onder a, van de Rv. Dat luidt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…).”
13. De toelichting op voornoemde regeling (gepubliceerd in Staatscourant 2011, 19193) houdt ten aanzien van dit artikel onder meer in:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in die gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder. Voorheen had deze gebruikseis betrekking op de lading als zichtbelemmerende factor. Het artikel is nu zodanig geformuleerd dat het ziet op elke vorm van belemmering van het zicht. Dit betekent dat het zicht van de bestuurder naast lading, ook niet beperkt mag worden door verwisselbare uitrustingsstukken, sneeuw, ijs, modder, etc.”
14. Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de op artikel 5.1.1., eerste lid, onder c in verbinding met artikel 5.2.42, tweede lid, van de Rv gebaseerde feitcode N420b ziet op aan de bouw en inrichting van het voertuig te stellen eisen, terwijl de op artikel 5.18.4, onder. a, van de Rv gebaseerde feitcode P041a ziet op eisen in verband met het gebruik van het voertuig. Dit betekent dat, anders dan de gemachtigde betoogt, in het onderhavige geval de juiste feitcode is toegepast en er geen sprake is van een specialis-verhouding.
15. Het voorgaande brengt mee dat de inleidende beschikking in stand kan blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.