Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] B.V.,
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
Beoordeling
gerichten volgens het bepaalde in artikel 6 van Pro de Wahv beroep kan instellen bij de officier van justitie. [E] is vervolgens degene die als eigenaar van het motorvoertuig de beschikking weer digitaal doorzendt aan degene die de auto least. De fictieve kentekenhouder, in dit geval het ministerie van SZW, krijgt de boete nooit te zien, hoeft deze niet te betalen en niet te verwerken. De niet-ontvankelijk verklaringen van de officier van justitie staan de rechtsgang van [E] in de weg, terwijl de officier op de hoogte is van de digitale wijze waarop het CJIB beschikkingen aan leasemaatschappijen verzendt. Hiermee is [E] een effectieve toegang tot het recht ontzegd en daarmee is sprake van schending van het bepaalde in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vervolgens voert de gemachtigde aan dat, indien het hof niet meegaat in de stelling dat de inleidende beschikking via het Businessportaal van het CJIB is gericht aan [E] , er sprake is van schending van artikel 4, tweede lid, van de Wahv, nu de betrokkene met het CJIB overeen is gekomen dat wordt afgezien van toezending van de inleidende beschikking per post. Nu de inleidende beschikking alleen digitaal is verzonden aan [E] en niet ook per post aan de betrokkene, is de beschikking niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, terwijl dit binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden dient te geschieden. De betrokkene stelt dat zij hierdoor in haar verdediging is geschaad. De gemachtigde wijst er voorts op dat bij het hoger beroep een tweetal beslissingen van de officier van justitie is gevoegd waarbij de kentekenhouder een RTL registratie had en [E] zodoende niet de kentekenhouder was. Beide beslissingen zijn ontvankelijk verklaard, wat niet te rijmen valt met de niet-ontvankelijkverklaring in deze zaak. Bovendien is de officier van justitie niet consequent in het wel of niet ontvankelijk verklaren van beroepen. Zo heeft de gemachtigde vernomen dat de officier van justitie alleen verzoekt om een machtiging wanneer een medewerker van het ministerie van SZW de zaak via [de betrokkene] B.V. laat behandelen. Maakt een medewerker op eigen titel bezwaar, dan wordt niet verzocht om een machtiging van het ministerie. Er is dan ook sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is de officier van justitie bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt, om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
gerichtaan het ministerie van SZW, omdat deze als kentekenhouder geregistreerd stond ten tijde van de gedraging. De sanctie is aan het ministerie van SZW opgelegd. Dat de inleidende beschikking via het Businessportaal van het CJIB digitaal aan [E] is verzonden, doet daar niet aan af. Nu tijdig administratief beroep is ingesteld, kan overigens in het midden blijven of de inleidende beschikking op juiste wijze bekend is gemaakt. Gelet op het voorgaande is het ministerie van SZW gerechtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en kan alleen het ministerie van SZW een machtiging afgeven om namens het ministerie van SZW beroep in te stellen.