ECLI:NL:GHARL:2020:8302

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.265.892
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 13 lid 3 WahvArt. 14 WahvArt. 6:24 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroepsgerechtigdheid en machtiging bij administratief beroep Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften

In deze zaak is hoger beroep ingesteld door [de betrokkene] B.V. tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betreft de vraag wie beroepsgerechtigd is tegen een beschikking op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

De beschikking was gericht aan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, als kentekenhouder van het voertuig. [De betrokkene] B.V. stelde dat zij gemachtigd was om namens het ministerie beroep in te stellen, mede omdat de beschikking digitaal via het CJIB Businessportaal aan een leasemaatschappij ([E]) werd verzonden. Het hof oordeelde dat alleen degene aan wie de beschikking is opgelegd, hier het ministerie, beroep kan instellen en een machtiging van deze partij vereist is.

Het hof verwierp de stelling dat de digitale verzending aan de leasemaatschappij voldoende zou zijn en dat het ontbreken van een machtiging een schending van het recht op toegang tot de rechter of het gelijkheidsbeginsel oplevert. Ook werd geoordeeld dat de officier van justitie terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een machtiging en dat de hoorplicht niet was geschonden.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Daarmee is het beroep van [de betrokkene] B.V. ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van [de betrokkene] B.V. wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van de kentekenhouder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.265.892/01
CJIB-nummer
: 217238454
Uitspraak d.d.
: 13 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 18 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] B.V.,

gevestigd te [A] ,
vertegenwoordigd door mr. [B] (de gemachtigde).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is op 30 maart 2020 een aanvullend schrijven met stukken binnengekomen, in fotokopie gezonden aan de advocaat-generaal.
De zaak is behandeld op de zitting van 29 september 2020. De gemachtigde is, zoals tevoren was aangekondigd, niet verschenen. Wel heeft de gemachtigde het hoger beroep bij schrijven van
25 september 2020 aangevuld. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [C] .

Beoordeling

1. In de onderhavige zaak is op 6 juni 2018 jegens de betrokkene, te weten het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het ministerie van SZW) een inleidende beschikking uitgevaardigd. Hiertegen is door [de betrokkene] B.V. in de persoon van mr. [B] , namens [D] , administratief beroep ingesteld. De officier van justitie heeft dit beroep (kennelijk) niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging van degene aan wie de beschikking is opgelegd. Tegen deze beslissing is door [de betrokkene] B.V. beroep ingesteld bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie een juiste beslissing heeft genomen en heeft het beroep ongegrond verklaard. Die beslissing heeft aldus te gelden als beslissing op het beroep van [de betrokkene] B.V. en dient ook als zodanig te worden gelezen. Hoger beroep tegen deze beslissing kan derhalve alleen door of namens [de betrokkene] B.V. worden ingesteld.
2. Tegen de beslissing van de kantonrechter kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld. Dat volgt uit de artikelen 13, derde lid, en 14 van de Wahv en de artikelen 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van hoger beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De beslissing van de kantonrechter is gedateerd 18 juni 2019. Bij de stukken bevindt zich een brief d.d. 2 juli 2019 waarmee deze beslissing is toegestuurd naar [de betrokkene] B.V.. De beslissing van de kantonrechter is op 19 augustus 2019 nogmaals naar [de betrokkene] B.V. toegestuurd. Het beroepschrift is gedateerd 28 augustus 2019. Uit een stempel blijkt dat het op 2 september 2019 door de griffie van de rechtbank is ontvangen. Het dossier bevat een schrijven afkomstig van [de betrokkene] B.V. d.d. 27 maart 2020 waaruit volgt dat [de betrokkene] B.V. de beslissing van de kantonrechter de eerste maal niet volledig heeft ontvangen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de beslissing van de kantonrechter op 2 juli 2019 op juiste wijze bekend is gemaakt. Anders dan de advocaat-generaal in het verweerschrift naar voren heeft gebracht, is het hof van oordeel dat het hoger beroep daarom tijdig is ingesteld en dat het hoger beroep dan ook ontvankelijk is.
4. Namens [de betrokkene] B.V. is - kort samengevat - aangevoerd dat de officier van justitie het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de beroepsgerechtigdheid van [de betrokkene] B.V. om in de onderhavige procedure (administratief) beroep in te stellen. Hiertoe wordt er op gewezen dat [de betrokkene] B.V. reeds vanaf mei 2018 gemachtigd is door [E] N.V. om procedures als de onderhavige te voeren. Het bedrijf dat auto’s least bij [E] heeft de mogelijkheid om zelf de kentekenhouder te worden van het voertuig, hetgeen in deze zaak het geval is bij het ministerie van SZW. Deze constructie wordt bijgehouden in het RTL-register (Registratie Tenaamstelling Leasemaatschappijen) en de officier van justitie heeft inzage in dit register. Via het Businessportaal van het CJIB worden de beschikkingen digitaal aan [E] verzonden, die zodoende degene is tot wie de beschikking is
gerichten volgens het bepaalde in artikel 6 van Pro de Wahv beroep kan instellen bij de officier van justitie. [E] is vervolgens degene die als eigenaar van het motorvoertuig de beschikking weer digitaal doorzendt aan degene die de auto least. De fictieve kentekenhouder, in dit geval het ministerie van SZW, krijgt de boete nooit te zien, hoeft deze niet te betalen en niet te verwerken. De niet-ontvankelijk verklaringen van de officier van justitie staan de rechtsgang van [E] in de weg, terwijl de officier op de hoogte is van de digitale wijze waarop het CJIB beschikkingen aan leasemaatschappijen verzendt. Hiermee is [E] een effectieve toegang tot het recht ontzegd en daarmee is sprake van schending van het bepaalde in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vervolgens voert de gemachtigde aan dat, indien het hof niet meegaat in de stelling dat de inleidende beschikking via het Businessportaal van het CJIB is gericht aan [E] , er sprake is van schending van artikel 4, tweede lid, van de Wahv, nu de betrokkene met het CJIB overeen is gekomen dat wordt afgezien van toezending van de inleidende beschikking per post. Nu de inleidende beschikking alleen digitaal is verzonden aan [E] en niet ook per post aan de betrokkene, is de beschikking niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, terwijl dit binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden dient te geschieden. De betrokkene stelt dat zij hierdoor in haar verdediging is geschaad. De gemachtigde wijst er voorts op dat bij het hoger beroep een tweetal beslissingen van de officier van justitie is gevoegd waarbij de kentekenhouder een RTL registratie had en [E] zodoende niet de kentekenhouder was. Beide beslissingen zijn ontvankelijk verklaard, wat niet te rijmen valt met de niet-ontvankelijkverklaring in deze zaak. Bovendien is de officier van justitie niet consequent in het wel of niet ontvankelijk verklaren van beroepen. Zo heeft de gemachtigde vernomen dat de officier van justitie alleen verzoekt om een machtiging wanneer een medewerker van het ministerie van SZW de zaak via [de betrokkene] B.V. laat behandelen. Maakt een medewerker op eigen titel bezwaar, dan wordt niet verzocht om een machtiging van het ministerie. Er is dan ook sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.
5. Tot slot wijst de gemachtigde erop dat hij, ondanks een daartoe gedaan verzoek, niet is gehoord door de officier van justitie en dat van de uitzonderingssituaties om hiervan af te zien geen sprake is. Daarmee staat vast dat de officier van justitie de op hem rustende hoorplicht heeft geschonden. Daarnaast is sprake van schending van het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb, nu het zaakoverzicht niet is toegezonden en dit een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft.
5. Om vast te kunnen stellen of [de betrokkene] B.V. gemachtigd is om beroep tegen de inleidende beschikking in te stellen, is van belang dat in artikel 6, eerste lid, van de Wahv is bepaald dat degene tot wie de beschikking is
gericht, administratief beroep kan instellen bij de officier van justitie. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb is de officier van justitie bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt, om vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient bevoegd is namens deze beroep in te stellen.
6. Uit de stukken blijkt dat het in deze zaak gaat om een snelheidsovertreding waarvoor de sanctie is opgelegd aan de kentekenhouder. Het betreft het kenteken [YY-000-Y] . Het kenteken is op naam gesteld van het ministerie van SZW. In het dossier bevindt zich verder een, niet ondertekende, machtiging waaruit blijkt dat [D] , de persoon die feitelijk de beschikking had over het voertuig, [de betrokkene] B.V. machtigt.
7. Het hof volgt niet de stelling van de gemachtigde dat de machtiging van [E] voldoende is om als gemachtigde namens [D] op te mogen treden. Nog daargelaten dat de machtiging van [E] aan [de betrokkene] BV in casu ontbreekt, is de beschikking
gerichtaan het ministerie van SZW, omdat deze als kentekenhouder geregistreerd stond ten tijde van de gedraging. De sanctie is aan het ministerie van SZW opgelegd. Dat de inleidende beschikking via het Businessportaal van het CJIB digitaal aan [E] is verzonden, doet daar niet aan af. Nu tijdig administratief beroep is ingesteld, kan overigens in het midden blijven of de inleidende beschikking op juiste wijze bekend is gemaakt. Gelet op het voorgaande is het ministerie van SZW gerechtigd om beroep in te stellen tegen de inleidende beschikking en kan alleen het ministerie van SZW een machtiging afgeven om namens het ministerie van SZW beroep in te stellen.
8. De officier van justitie heeft [de betrokkene] B.V. bij brief van 5 september 2018 derhalve terecht erop gewezen dat een schriftelijke machtiging van degene aan wie de beschikking is gericht dat zij, [de betrokkene] B.V., beroep aan mag tekenen, ontbreekt. De officier van justitie heeft [de betrokkene] B.V. in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vier weken na dagtekening van die brief. In die brief is [de betrokkene] B.V. er ook op gewezen dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het verzuim niet wordt hersteld. Het hof stelt op basis van de stukken vast dat een dergelijke machtiging niet is overgelegd.
9. Van belemmering van de rechtsgang is geen sprake. Het ligt op de weg van een betrokkene als kentekenhouder van het voertuig om - indien het voeren van beroepsprocedures als de onderhavige uit handen wordt gegeven - zorg te dragen voor een deugdelijke machtigingsconstructie. Dit geldt te meer, indien sprake is van een bedrijf met een groot aantal voertuigen op naam. Voor zover de betrokkene stelt geen handtekening te krijgen van de minister of een andere tekenbevoegde persoon omdat dit nooit eerder nodig is geweest en de belangen zo klein zijn dat men het management met zoiets kleins niet wil lastig vallen, komen de gevolgen daarvan voor rekening van de betrokkene als kentekenhouder.
10. Dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, is het hof voorts niet gebleken. Weliswaar heeft de gemachtigde nog een mailconversatie en een aantal voorbeelden in het geding gebracht, waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat in vergelijkbare zaken niet om een machtiging van de betrokkene is gevraagd, maar het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat bij de CVOM sprake is van een vaststaand beleid om in vergelijkbare zaken geen machtiging op te vragen. Van willekeur is evenmin gebleken.
11. De gemachtigde heeft nog verzocht om vragen te stellen aan de RDW. In dit verband is gewezen op de vragen die in het tussenarrest van het hof in de zaken met de Wahv nummers 200.180.602 en 200.180.604 zijn opgenomen. Het hof wijst dit verzoek evenwel af, nu het hof het voor de beoordeling van het hoger beroep in de onderhavige zaak niet noodzakelijk acht dat de vragen door de RDW worden beantwoord.
12. Het verweer inhoudende dat sprake is van schending van de hoorplicht gaat niet op. Het hof stelt vast dat in administratief beroep weliswaar is verzocht om te worden gehoord, maar de officier van justitie behoefde hier immers geen gehoor aan te geven. De officier van justitie heeft zoals gezegd het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet binnen de gestelde termijn een machtiging was verstrekt. De officier van justitie kon, op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder a, van de Awb, er van af zien om de indiener van het beroep te horen.
13. De klacht dat sprake is van schending van de informatieplicht, omdat het zaakoverzicht niet is toegezonden, faalt reeds op de grond dat een dergelijk verzoek hiertoe in administratief beroep niet is gedaan.
14. De kantonrechter heeft gelet op het voorgaande een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond te verklaren. Die beslissing zal dan ook worden bevestigd. Aanleiding voor een vergoeding van proceskosten is er dan ook niet.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.