ECLI:NL:GHARL:2020:8336

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 oktober 2020
Publicatiedatum
14 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.980/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbArt. 3 WahvArt. 10 Parkeerverordening 2017 gemeente DeventerArt. 24 RVV 1990Art. 121 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging feitcode parkeerboete wegens parkeren zonder vergunning in vergunninghouderszone

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor parkeren in strijd met vergunningsvoorwaarden, terwijl feitelijk sprake was van parkeren zonder vergunning. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af. Het hof stelde vast dat de officier van justitie zijn informatieplicht schond door relevante stukken pas bij de beslissing op het administratief beroep te overleggen. Hierdoor vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep gegrond.

Vervolgens beoordeelde het hof het beroep inhoudelijk. De sanctie was opgelegd voor parkeren op een vergunninghoudersplaats zonder vergunning. De gemachtigde voerde aan dat de ambtenaar niet bevoegd was en dat de overtreding gebaseerd was op een onverbindende plaatselijke verordening. Het hof verwierp deze bezwaren, oordeelde dat de ambtenaar bevoegd was en dat de overtreding onder de Parkeerverordening 2017 viel, die niet onverbindend is.

Het hof stelde vast dat de betrokkene geen vergunning had en dat de gedraging binnen een vergunninghouderszone plaatsvond, waar zoneborden E9 op alle toegangswegen stonden. De betrokkene had de borden niet gezien, maar dit kwam voor zijn eigen rekening. Daarom wijzigde het hof de feitcode naar R397i, wat overeenkomt met parkeren zonder vergunning op een vergunninghoudersplaats. De proceskosten werden aan de betrokkene toegekend.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep gegrond, wijzigt de feitcode naar R397i en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.980/01
CJIB-nummer
: 206237963
Uitspraak d.d.
: 14 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 3 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie zijn informatieplicht ex artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. De officier van justitie heeft namelijk pas bij zijn beslissing op het administratief beroep nadere stukken overgelegd, te weten een aanvullend proces-verbaal en de foto’s van de gedraging. In zijn beslissing verwijst de officier van justitie naar deze bijlage(n). De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat deze stukken bij de uitnodiging voor de hoorzitting zijn meegezonden.
2. Het is vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie, op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Awb, in de fase van het administratief beroep is gehouden om op verzoek aan de indiener van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Het gaat daarbij om de stukken waarop de voor de sanctieoplegging relevante gegevens zijn vermeld en de stukken die de ambtenaar bij het opleggen van de sanctie heeft gebruikt. Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging. Verder moeten als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt de stukken die de officier van justitie in verband met het tegen de opgelegde sanctie gevoerde verweer heeft opgevraagd alvorens op het administratief beroep te beslissen.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift d.d. 14 mei 2017 heeft gevraagd om alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De officier van justitie heeft bij brief van 24 mei 2017 het zaakoverzicht aan de gemachtigde verstrekt en hem in de gelegenheid gesteld de gronden van het beroep op te geven. Bij brief van 19 juni 2017 heeft de gemachtigde gronden tegen de inleidende beschikking aangevoerd. Bij brief van 1 augustus 2017 is de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting. Bij brief van 27 september 2017 heeft de officier van justitie aanvullende informatie opgevraagd bij de ambtenaar, waarbij hem onder meer is gevraagd een inhoudelijk commentaar te geven op het verweer van de betrokkene. Op 17 oktober 2017 is bij de CVOM een aanvullend proces-verbaal d.d. 16 oktober 2017 van de ambtenaar binnengekomen met als bijlagen de foto’s van de gedraging. Op 22 november 2017 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard. In de motivering van de beslissing wordt omtrent de bewijsvoering verwezen naar de bijlage(n).
4. Het aanvullend proces-verbaal en de foto’s van de gedraging zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Een redelijke uitleg van artikel 7:18, vierde lid, Awb, brengt mee dat als hierom is verzocht de officier van justitie deze stukken toezendt aan de indiener van het beroepschrift voordat hij op het beroep beslist. Niet is gebleken dat dit is gebeurd. Dat deze stukken bij de uitnodiging voor de hoorzitting zouden zijn meegezonden acht het hof onmogelijk, omdat het aanvullend proces-verbaal toen nog niet was opgemaakt. Aldus is de officier van justitie tekortgeschoten in zijn informatieplicht. Dit betekent dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen.
5. Vervolgens gaat het hof over tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 90,- voor: “voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 maart 2017 om 16:31 uur op de Diepenveenseweg in Deventer met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
6. De gemachtigde voert aan dat de betreffende ambtenaar niet bevoegd was om voor de onderhavige gedraging een sanctie op te leggen, nu handhaven slechts is toegestaan in relatie tot de openbare orde en daarvan niet is gebleken. De gemachtigde wijst in dit verband naar het arrest van het hof van 10 juli 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:5888. Ook overigens kan niet worden vastgesteld dat de ambtenaar bevoegd was om in dit geval een sanctie op te leggen. In het dossier ontbreekt namelijk ieder stuk waaruit de bevoegdheid van de ambtenaar zou blijken, zoals het proces-verbaal van beëdiging en een adequaat mandaatbesluit van de functionaris die de ambtenaar heeft beëdigd.
7. Zoals het hof heeft overwogen in het arrest van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797, is het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar ten tijde van het opleggen van de sanctie het uitgangspunt. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, is hiervoor onvoldoende.
8. Het verweer van de gemachtigde dat de ambtenaar niet bevoegd was omdat niet is gebleken dat sprake was van een relatie met de openbare orde, wordt verworpen. In de destijds geldende Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar was voor het opleggen van een sanctie door een boa domein Openbare ruimte een relatie met de openbare orde slechts vereist voor overtredingen met betrekking tot rijdend verkeer voor zover sprake is van het negeren van een C-bord. In het onderhavige geval gaat het om een overtreding met betrekking tot een stilstaand voertuig en is geen sprake van een C-bord. Een verband met de openbare orde is dan dus niet vereist.
9. Voorts voert de gemachtigde aan dat de onderhavige sanctie is opgelegd in verband met een overtreding van een bepaling in een (plaatselijke) parkeerverordening. Die bepaling heeft dezelfde strekking als een bepaling in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en is dus onverbindend.
10. Uit de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd ter zake van een overtreding van de "PL.V" (het hof begrijpt: plaatselijke verordening) en dat feitcode R592a is gehanteerd. Hieruit volgt dat de ambtenaar de sanctie heeft opgelegd op basis van de Parkeerverordening 2017 van de gemeente Deventer.
11. Artikel 10, eerste lid, van deze verordening luidt:
“Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:
a. zonder vergunning;
b. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.”
12. Ingevolge artikel 121 van Pro de Gemeentewet blijft de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.
13. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990 luidt:
“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door verkeersbord E9 van bijlage I, indien voor zijn voertuig geen vergunning tot parkeren op die plaats is verleend.”
14. Laatstgenoemde bepaling is in de 'Tekstenbundel voor misdrijven, overtredingen en Muldergedragingen’ gekoppeld aan feitcode R397i met de omschrijving:
“Als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9 zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend.”
15. Het parkeerverbod zoals neergelegd in artikel 10, eerste lid, onder a, van de Parkeerverordening 2017 van de gemeente Deventer heeft dezelfde strekking als het parkeerverbod in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder g, van het RVV 1990. Gelet hierop is het hof van oordeel dat aan dat artikelonderdeel verbindende kracht moet worden ontzegd. Dat geldt niet voor artikel 10, eerste lid, onder b, van de Parkeerverordening 2017 van de gemeente Deventer voor de overtreding waarvan, blijkens de inleidende beschikking, de sanctie is opgelegd. Het bezwaar van de gemachtigde treft derhalve geen doel.
16. Uit het dossier blijkt dat aan de betrokkene geen vergunning is verleend voor het parkeren ter plaatse. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van een aan de vergunning verbonden voorwaarde. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking niet ongewijzigd in stand kan blijven.
17. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift geconcludeerd tot wijziging van de feitcode naar R397i.
18. De gemachtigde voert primair aan dat gelet op de fase waarin de procedure zich thans bevindt er geen aanleiding meer is voor een wijzing van de feitcode. Subsidiair voert hij aan dat ook die gedraging niet is verricht, nu het voertuig van de betrokkene zich niet bevond in een vergunninghouderszone, althans dat sprake was van onduidelijke bebording. De betrokkene is de Diepenveenseweg ingereden zonder een zonebord E9 te zien en heeft zijn voertuig tegenover het Tinq tankstation geparkeerd. Daar staan geen borden. Verderop in de straat staan wel borden. Daardoor is de betrokkene op het verkeerde been gezet en ging hij ervan uit dat de vergunninghouderszone ter plaatse nog niet van kracht was. De betrokkene meent dat de bebording voor het tankstation onvoldoende is herhaald.
19. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
20. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft geconstateerd dat het voertuig met bovenvermeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd op een parkeerplaats voor vergunninghouders.
21. Voorts bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 16 oktober 2017, waarin de ambtenaar zakelijk weergegeven verklaart dat het voertuig van de betrokkene op de Diepenveenseweg tegenover tankstation Tinq in een parkeervak stond geparkeerd, dat in het voertuig geen zichtbare parkeervergunning lag, dat op de Diepenveenseweg een vergunninghouderszone van kracht is en dat op alle toegangswegen naar die locatie toe zoneborden E9 staan. Vervolgens vermeldt de ambtenaar op welke locaties er zoneborden E9 staan en op welke locaties er herhalingszoneborden E9 staan.
22. Als bijlage bij bovengenoemd proces-verbaal zijn foto’s gevoegd waarop onder meer zoneborden E9 met onderbord “herhaling” zijn te zien. Op één van de foto’s is door middel van een pijl door de ambtenaar aangegeven waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd.
23. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd is gelegen binnen een zone die alleen is bestemd voor vergunninghouders en dat er zoneborden E9 zijn geplaatst op alle toegangswegen die naar die zone leiden. Dat de betrokkene deze zoneborden niet heeft gezien betreft een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn eigen rekening dienen te komen. Dat er voor het tankstation geen bebording is geplaatst kan de betrokkene niet baten, nu in een zone de bebording niet hoeft te worden herhaald. Dat de betrokkene door de plaatsing van de (herhalings)borden verderop in de straat op het verkeerde been was gezet, betreft eveneens een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn eigen rekening dienen te komen. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging die hoort bij feitcode R397i is verricht en dat het opleggen van een sanctie daarvoor billijk is.
24. Het hof zal overgaan tot wijzing van de feitcode en de omschrijving van de gedraging. Anders dan de gemachtigde betoogt staat de fase waarin de procedure zich thans bevindt daaraan niet in de weg. Een wijziging is toelaatbaar indien een betrokkene daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Daarvan is sprake wanneer de wijziging niet leidt tot een hoger sanctiebedrag en de betrokkene weet waartegen hij zich heeft te verdedigen. Dat is hier het geval. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de advocaat-generaal in het verweerschrift heeft geconcludeerd tot wijziging van de feitcode en de gemachtigde daarop heeft kunnen reageren, hetgeen hij ook heeft gedaan. Gelet hierop zal het hof de inleidende beschikking wijzigen.
25. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de nadere toelichting dienen in totaal 3,5 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 918,75.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in “R397i” respectievelijk “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9 zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend”;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 918,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.