Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling van aangever door hem in het gezicht te slaan en/of te stompen. In hoger beroep betwistte verdachte de mishandeling en voerde hij (putatief) noodweer aan ter rechtvaardiging van zijn handelen.
Het hof stelde vast dat het incident volgde op een eerdere ruzie waarbij de partner van verdachte betrokken was. Tijdens het incident op 17 januari 2018 sloeg verdachte aangever zonder dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waarvoor verdediging noodzakelijk was. Het hof verwierp daarom het beroep op noodweer en putatief noodweer.
Op basis van wettige bewijsmiddelen achtte het hof bewezen dat verdachte mishandeling heeft gepleegd. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de eerdere geweldsveroordelingen van verdachte, legde het hof een voorwaardelijke geldboete van €250 op, subsidiair 5 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar.
Het hof constateerde een geringe termijnoverschrijding in de vervolging maar vond dat dit voldoende gecompenseerd werd door de strafoplegging en de vaststelling van de verdragsschending. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het hof sprak het vonnis uit.