ECLI:NL:GHARL:2020:8401

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
16 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.656/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 67 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor parkeren op laadplaats elektrische voertuigen zonder opladen

De betrokkene werd beboet voor het parkeren op een parkeerplaats bestemd voor het opladen van elektrische voertuigen, terwijl zijn voertuig niet werd opgeladen. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep werd aangevoerd dat het onderbord onduidelijk was en dat de sanctie onterecht was opgelegd omdat het bord een voertuigcategorie aangaf en het voertuig van de betrokkene een auto betrof.

Het hof oordeelde dat het onderbord in combinatie met bord E8 duidelijk maakt dat de parkeerplaats is gereserveerd voor elektrische voertuigen die opladen. Het feit dat het woord "uitsluitend" ontbreekt en dat het de accu is die wordt opgeladen, doet hieraan niet af. De betrokkene heeft geparkeerd op een andere wijze dan toegestaan, waardoor de sanctie terecht is opgelegd.

Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. De ambtenaar had discretionaire bevoegdheid om de sanctie op te leggen en de betrokkene was gedurende de procedure op de hoogte van de beschuldigingen.

Uitkomst: De sanctie van €90 voor parkeren op een laadplaats zonder opladen wordt bevestigd en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.656/01
CJIB-nummer
: 204816833
Uitspraak d.d.
: 16 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 18 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de gelegenheid om hierop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid met ander doel dan aangegeven wijze (R397EA)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 januari 2017 om 12.49 uur op de Jansbinnensingel in Arnhem met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de officier van justitie en kantonrechter onvoldoende concreet hebben gereageerd op de stelling dat het niet juist is dat het onderbord in de onderhavige zaak betekent dat alleen voertuigen die elektrisch geladen mogen worden op de betreffende parkeerplaats mogen staan. In hoger beroep wordt de grond daarom nogmaals aangevoerd. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de betekenis van het aanwezige bord is dat het een parkeergelegenheid voor een voertuigcategorie of groep voertuigen is. Op het bord is een auto aangegeven en het voertuig van de betrokkene betreft een auto. De verweten gedraging is dan ook niet verricht. Daarnaast voert de gemachtigde ook aan dat op het onderbord een activiteit is vermeld. Dat is geen groep voertuigen en daarvoor is bord E8 niet bedoeld. Er lijkt dan ook een verkeerde feitcode te zijn gebruikt. Tot slot voert de gemachtigde aan dat het onderbord onduidelijk is, omdat de aanduiding dat men op deze plaatsen elektrische voertuigen kan opladen geen voorschrift met zich meebrengt. In dat geval had het woord “alleen” of “uitsluitend” moeten worden toegevoegd.
3. De onder 1. genoemde gedraging is een overtreding van artikel 24 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Dit artikel houdt in, voor zover van belang:
“1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:
d. op een parkeergelegenheid:
(…)
2°. op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven."
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld. Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal van de ambtenaar die onder meer verklaart:
“Daar trof ik aan een voertuig met het kenteken [00-YY-YY] zijnde een Jaguar in de kleur zwart, dit voertuig stond geparkeerd op een plek voor voertuigen die elektrisch laden (bord E08 van het RVV met onderbord waarop staat: opladen elektrische voertuigen). Ik heb geen voor deze plaats geldige parkeerontheffing waargenomen. Het bovengenoemde voertuig stond niet aangesloten aan de laadpaal.”
5. Verder bevat het dossier foto’s van de gedraging. Daarop is voornoemd voertuig te zien en de betreffende bebording.
6. Namens de betrokkene wordt niet ontkend dat diens voertuig geparkeerd stond op de hiervoor beschreven parkeerplaats en dat dit een gewoon voertuig betrof dat niet elektrisch werd geladen. De vraag die voorligt is of het voertuig van de betrokkene daar mocht staan, en of de juiste feitcode is gebruikt bij het opleggen van de sanctie.
7. Bord E8 geeft een parkeergelegenheid aan alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven. In de onderhavige zaak betreft dit een personenauto. In dit kader van belang luidt artikel 67, tweede lid, van het RVV 1990: "Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord." Dit in aanmerking genomen, volgt uit het onder het E8 geplaatste onderbord in deze zaak dat de aangegeven wijze van parkeren op die parkeerplaats inhoudt dat elektrische voertuigen worden opgeladen. Dit mag een activiteit betreffen, omdat deze bordencombinatie bedoeld is om beoogd verkeersgedrag te laten blijken. Dat hoeft niet uitsluitend een categorie voertuigen te betreffen.
8. Nu het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op deze parkeerplaats terwijl de accu van het voertuig niet werd opgeladen, heeft de betrokkene geparkeerd op een parkeerplaats op een andere dan de aangegeven wijze. Dit betekent dat de onder 1. omschreven gedraging is verricht. Dat de ambtenaar er ook voor had kunnen kiezen om in de onderhavige zaak een sanctie op te leggen voor het parkeren op een parkeergelegenheid, terwijl het voertuig niet behoort tot de aangegeven categorie (feitcode R397D), doet aan het voorgaande niet af. Een ambtenaar heeft een discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het opleggen van sancties in het geval er een overtreding wordt geconstateerd. Op het verrichten van beide gedragingen staat eenzelfde sanctiebedrag en de betrokkene heeft er gedurende de gehele procedure blijk van gegeven te weten waartegen hij zich moest verdedigen.
9. Namens de betrokkene is niet aannemelijk gemaakt dat het onderbord voor hem redelijkerwijs niet duidelijk kon zijn. Uit de bordencombinatie volgt op zichzelf al dat de parkeerplaats gereserveerd is voor elektrische voertuigen die opladen. Dat het woord “uitsluitend” op het onderbord ontbreekt en het in feite de accu is die wordt geladen in plaats van het voertuig, doet daar niet aan af. Voor zover het de betrokkene is ontgaan dat het parkeren op deze parkeerplaats voor hem niet was toegestaan, is dat een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen.
10. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de gedraging is verricht en daarvoor terecht een sanctie is opgelegd. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen. Gegeven die beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.