De man en vrouw zijn gescheiden ouders van twee minderjarige kinderen met hoofdverblijf bij de vrouw. De rechtbank had bepaald dat de vrouw kinderalimentatie aan de man moest betalen. In hoger beroep betwistte de man de behoefte van de kinderen, de draagkracht van beide ouders en de zorgkorting, terwijl de vrouw het kinderalimentatiebedrag aan de man wilde laten vervallen.
Het hof overwoog dat doorgaans kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie de kinderen niet het hoofdverblijf hebben, en dat een uitzondering alleen geldt bij bijzondere omstandigheden zoals een ruime omgangsregeling en inkomensverschillen. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op circa €1.341 per maand, met een zorgkorting van 25% voor de man.
De draagkracht van de man werd vastgesteld op ongeveer €316 per maand, terwijl de vrouw een hoog inkomen heeft en onvoldoende financiële gegevens aanleverde, waardoor het hof aannam dat zij voldoende draagkracht heeft. Gezien de ruime omgangsregeling en het feit dat de man grotendeels zelf in de kosten kan voorzien, oordeelde het hof dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die kinderalimentatie van de verzorgende ouder rechtvaardigt.
Het hof vernietigde daarom het deel van de beschikking dat de vrouw tot betaling van kinderalimentatie verplichtte en wees het verzoek van de man af. Proceskosten werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.