ECLI:NL:GHARL:2020:8442

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 oktober 2020
Publicatiedatum
19 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.240.886/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake rechts inhalen op snelweg

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd voor rechts inhalen op de Rijksweg A15 te Rotterdam op 13 september 2016. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene tegen deze beslissing gegrond verklaard, maar het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend.

In hoger beroep betoogde de gemachtigde van de betrokkene dat het feitenboek van het openbaar ministerie vereist dat bij overtreding van rechts inhalen het aantal ingehaalde voertuigen en de geschatte snelheid vermeld moeten worden. De ambtenaar had slechts verklaard dat de betrokkene twee keer met hoge snelheid rechts had ingehaald, wat volgens de gemachtigde onvoldoende concreet was om de overtreding vast te stellen.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van exacte gegevens over het aantal ingehaalde voertuigen en de snelheid geen reden is om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. De aanwijzing in het feitenboek richt zich tot de ambtenaar en kan niet door de betrokkene worden ingeroepen. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.240.886/01
CJIB-nummer
: 201689244
Uitspraak d.d.
: 19 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 250,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “R326 - rechts inhalen waar dat is verboden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 september 2016 om 13:10 uur op de Rijksweg A15 in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat uit het feitenboek van het openbaar ministerie uit 2016 blijkt dat bij overtreding van de gedraging met feitcode R326 moet worden vermeld hoeveel voertuigen er zijn ingehaald en wat de geschatte snelheid was. Door de ambtenaar wordt slechts verklaard dat hij het voertuig twee keer heeft zien inhalen. De ambtenaar heeft de betrokkene met ‘hoge snelheid’ zien inhalen, maar uit het feitenboek blijkt dat er een geschatte snelheid genoteerd moet worden. Een ‘hoge snelheid’ is te abstract, omdat op de snelweg per definitie met hoge snelheid wordt gereden. Dit soort factoren moeten worden genoteerd om de verwijtbaarheid van de betrokkene in kaart te brengen. De surveillant van politie heeft onvoldoende de van belang zijnde feiten vermeld, zodat kan worden getwijfeld aan het feit of de gedraging is begaan, aldus de gemachtigde van de betrokkene.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag betrokken voertuig twee keer rechts inhalen met hoge snelheid. Voor een feit pv opgemaakt, andere gewaarschuwd.”
5. Dat de ambtenaar niet volgens de aanwijzing in het feitenboekje heeft vermeld hoeveel voertuigen er zijn ingehaald en wat de snelheid van het voertuig van de betrokkene was, geeft op zichzelf geen aanleiding om aan de gegevens in het dossier te twijfelen. De aanwijzing richt zich tot de ambtenaar en om die reden kan de gemachtigde daaraan geen rechten ontlenen. Gelet op die gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
6. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.