In deze civiele zaak staat de vraag centraal of de vergoeding van € 434,39 bruto per maand die tussen de kunstenaar [C] en de vennootschap [appellante3] is overeengekomen, een redelijke vergoeding vormt voor de werkzaamheden en diensten van [C] in de zin van artikel 479a Rv. Dit speelt in het kader van een executoriaal derdenbeslag dat [geïntimeerde] heeft gelegd onder [appellante3] voor verhaal van een vordering op [C].
De rechtbank had geoordeeld dat de overeengekomen vergoeding onevenredig laag was en had een redelijke vergoeding van € 1.250 netto per maand vastgesteld, gebaseerd op de reputatie van [C], de aard en omvang van zijn werkzaamheden en de verkoopprijzen van zijn kunstwerken. Het hof onderschrijft dit oordeel en benadrukt dat [C] gedurende zijn parttime dienstverband gemiddeld één kunstwerk per maand leverde dat voor aanzienlijke bedragen via diverse kanalen werd aangeboden.
Hoewel [appellante3] stelde dat zij geen draagkracht had en dat de werken die zij verkocht niet van [C] afkomstig waren, kon zij dit onvoldoende onderbouwen. Het hof stelt vast dat de onduidelijkheid over de omvang van de werkzaamheden en opbrengsten voor risico van [appellante3] komt, omdat zij over de gegevens beschikt. Het hof verklaart [appellanten] en Xena Holding niet-ontvankelijk in hoger beroep en bekrachtigt het vonnis tegen [appellante3], waarbij deze wordt veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] en in de proceskosten.