Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze zaak betreft een hoger beroep van de stiefmoeder tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin zij werd afgewezen in haar verzoek om met de voogdij over de minderjarige belast te worden. Daarnaast verzocht zij het hof om een voorlopige voorziening te treffen in de vorm van een omgangsregeling met de minderjarige.
De feiten zijn dat de minderjarige in 2012 is geboren, de moeder in 2015 is overleden, en de vader in 2019 is overleden. De stiefmoeder en vader kregen in 2016 een relatie en emigreerden in 2017 naar Portugal. In 2019 keerden de stiefmoeder en minderjarige terug naar Nederland, waarna de minderjarige sinds maart 2020 bij de grootvader woont. De raad voor de kinderbescherming verzocht de rechtbank de gecertificeerde instelling (GI) met de voogdij te belasten en wijziging van verblijfplaats toe te staan.
De rechtbank heeft de GI belast met de voogdij en toestemming gegeven tot verblijf bij de grootvader. De stiefmoeder verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en haar alsnog met de voogdij te belasten. Tevens verzoekt zij een voorlopige omgangsregeling. Het hof oordeelt dat het verzoek tot voorlopige voorziening onvoldoende samenhangt met de hoofdzaak, zoals vereist in artikel 223 Rv Pro, en verklaart haar daarom niet-ontvankelijk.
De beschikking is uitgesproken op 22 oktober 2020 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het hof verklaart de stiefmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wegens onvoldoende samenhang met de hoofdzaak.