ECLI:NL:GHARL:2020:8619

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 oktober 2020
Publicatiedatum
23 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.244.965/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 lid 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake verkeersboete in voetgangersgebied

De betrokkene ging in hoger beroep tegen een beslissing van de kantonrechter die een boete van €140,- oplegde voor het rijden in een voetgangersgebied. De betrokkene voerde aan dat de verkeersborden niet correct waren geplaatst en dat de gemeente niet bevoegd was om eigen regels te maken. Tevens werd geklaagd over de motivering van de beslissing van de officier van justitie en de kantonrechter.

Het hof oordeelde dat de gemeente bevoegd is verkeersbesluiten te nemen voor wegen onder haar beheer, conform artikel 18 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. De betrokkene mocht niet beoordelen of de borden correct waren geplaatst, tenzij dit de verkeersveiligheid in gevaar bracht, wat hier niet het geval was. Ook verwees het hof naar een recente uitspraak van de Hoge Raad die bevestigde dat een onjuiste plaatsing van een bord niet als omstandigheid geldt om de boete te verwerpen.

De klachten over de motivering van de kantonrechter waren terecht, maar het hof verbeterde de gronden en bevestigde de beslissing. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. De boete bleef daarmee gehandhaafd.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd met verbetering van gronden; de boete van €140,- blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.244.965/01
CJIB-nummer
: 197462012
Uitspraak d.d.
: 23 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 22 mei 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Op 10 oktober 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. De gemachtigde heeft klachten over de motivering van de beslissing van de kantonrechter. De kantonrechter is niet concreet ingegaan op het verweer ten aanzien van de controle van de bebording ten tijde van of rond de datum van de gedraging. Voorts heeft de kantonrechter verzuimd om de klachten over de motivering van de beslissing van de officier van justitie te behandelen.
2. Naar vaste jurisprudentie van het hof is voor een deugdelijke motivering van de beslissing van de kantonrechter niet vereist dat uitgebreid en expliciet op elk argument wordt ingegaan. Uit de motivering van de beslissing van de kantonrechter blijkt echter niet dat de klachten van de gemachtigde ten aanzien van de motivering van de beslissing van de officier van justitie en de controle van de bebording zijn betrokken in de beoordeling van het beroep. De beslissing van de kantonrechter is daarom niet deugdelijk gemotiveerd.
3. De kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard. Het hof zal - ten einde te beoordelen of de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd dan wel dat deze met verbetering van de gronden kan worden bevestigd - beoordelen tot welke conclusie de tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerde bezwaren leiden.
4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een rijdend motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op
8 april 2016 om 19.30 uur op de Venneperstraat in Nieuw-Vennep met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
5. De gemachtigde voert aan dat de officier van justitie het motiveringsbeginsel heeft geschonden, omdat hij niet heeft gereageerd op de aangevoerde beroepsgronden.
6. Deze stelling is te algemeen van aard om als grond tegen de (motivering van de) beslissing van de officier van justitie te kunnen gelden. Het ligt op de weg van de gemachtigde om concreet aan te geven op welke beroepsgrond de officier van justitie niet heeft gereageerd.
7. Het hof zal vervolgens de bezwaren tegen de inleidende beschikking beoordelen.
8. De gemachtigde stelt dat het gangbare praktijk is dat de officier van justitie de inleidende beschikking vernietigt als het aanvullend proces-verbaal buiten de gestelde termijn is ontvangen.
9. Het hof stelt vast dat de ten tijde van de beoordeling van het administratief beroep geldende Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen geen bepaling meer bevatte die een termijn - en een gevolg aan het overschrijden van deze termijn - verbindt aan het voldoen aan een dergelijk informatieverzoek. Het dossier bevat een informatieverzoek van de officier van justitie d.d. 9 september 2016 gericht aan de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Dat in deze brief een termijn van vier weken wordt genoemd, maakt voorgaande niet anders. Uit deze brief volgt immers slechts dat overschrijding van deze termijn
kanleiden tot vernietiging van de beschikking. Gelet op de redactie van deze brief kan de betrokkene hieraan niet het rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat de inleidende beschikking in de onderhavige zaak zou worden vernietigd als de gevraagde informatie niet tijdig werd verstrekt. De stelling dat sprake is van (van de geldende Aanwijzing afwijkend) beleid van de officier van justitie om de inleidende beschikking te vernietigen als niet tijdig wordt voldaan aan een informatieverzoek, is niet onderbouwd.
10. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het voertuig reed in een middels een zonebord G7 aangeduid voetgangersgebied. Uit het aanvullend proces-verbaal van 18 november 2016 blijkt dat aan elke toeleidende weg een G7 bord is geplaatst, met een onderbord ‘uitgezonderd fietsers” en een onderbord “uitgezonderd laden en lossen 7.00 en 12.00h”.
11. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
12. De gemachtigde heeft aangevoerd dat slechts wet- en regelgeving de verkeersregels bepalen en dat de gemeente niet zijn eigen regels kan maken. Met het toelaten van fietsers in een voetgangersgebied heeft de gemeente in strijd met de wet- en regelgeving gehandeld, zodat op basis van deze bebording niet jegens betrokkene kan worden gehandhaafd, aldus de gemachtigde.
13. Uit artikel 18, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat de gemeente bevoegd is een verkeersbesluit te nemen ten aanzien van de wegen die die gemeente onder beheer heeft. De advocaat-generaal heeft in de reactie op de nadere toelichting de informatie omtrent het betreffende verkeersbesluit overgelegd.
14. Op grond van vaste rechtspraak staat het niet ter beoordeling van de weggebruiker of een verkeersteken overeenkomstig de voorschriften en terecht is geplaatst. Dat is slechts anders in het geval de situatie klaarblijkelijk zo afwijkend is van die waarop het verkeersteken betrekking heeft dat bij gevolg geven aan dat teken de veiligheid op de weg in gevaar zou worden gebracht. Daarvan is hier geen sprake. Ook heeft de Hoge raad bij uitspraak van 16 juni 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:HR:2020:1055 bepaald dat de omstandigheid dat een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, niet met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke voorschriften is geplaatst, niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 9 lid Pro 2, aanhef en onder b, Wahv, dat wil zeggen noch als een omstandigheid waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, noch als een omstandigheid waarin de betrokkene verkeert. Het verweer faalt.
15. De beslissing van de kantonrechter kan worden bevestigd met verbetering van gronden.
16. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
17. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.