ECLI:NL:GHARL:2020:8662

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.244.028/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 sub d RVV 1990Art. 67 lid 2 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging feitcode parkeren op oplaadplaats zonder opladen

De betrokkene werd beboet voor het parkeren op een parkeerplaats bestemd voor personenauto's terwijl het voertuig niet tot de aangegeven categorie behoorde. De betrokkene stelde dat het voertuig wel tot de categorie personenauto's behoorde en dat de feitcode onjuist was.

Het hof stelde vast dat het voertuig inderdaad een personenauto was, maar dat het niet werd opgeladen terwijl het op een oplaadplaats stond. Hierdoor was een andere overtreding begaan dan aanvankelijk vastgesteld. De feitcode werd daarom gewijzigd van R397D naar R397E, wat betreft parkeren op een andere wijze dan aangegeven.

Het hof oordeelde dat de betrokkene door deze wijziging niet in haar verdedigingsbelangen was geschaad, omdat het feitencomplex hetzelfde bleef en de sanctie gelijk was. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarmee gedeeltelijk gegrond verklaard.

Daarnaast werd de advocaat-generaal veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan de betrokkene ter hoogte van €525,-. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd voor zover het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond werd verklaard, en bevestigd voor het overige.

Uitkomst: De feitcode werd gewijzigd en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.244.028/01
CJIB-nummer
: 203966390
Uitspraak d.d.
: 26 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 125,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De namens de betrokkene opgeworpen bezwaren richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van
€ 90,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid terwijl voertuig niet tot aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 december 2016 om 16:15uur op de Bijlmerdreef in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig van de betrokkene juist wel behoort tot de aangegeven categorie en dat de gedraging derhalve niet is verricht. De ambtenaar heeft kennelijk expliciet niet willen bekeuren voor de gedraging met feitcode R397E, maar voor de gedraging met feitcode R397D, die aldus niet is verricht. Ook gelet op het verloop van de procedure tot dusver is het volgens de gemachtigde niet redelijk om thans de feitcode te wijzigen. Bovendien verhoudt het opleggen van sancties door een rechter zich niet met het administratiefrechtelijke karakter van de Wahv, aldus de gemachtigde.
3. De advocaat-generaal heeft voorgesteld de feitcode te wijzigen in feitcode R397EA dat luidt: “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeergelegenheid met een ander doel dan de aangegeven wijze”.
4. De onderhavige gedraging, met feitcode R397D, ziet op overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten eerste, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeergelegenheid voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen. Het bord dat hier wordt bedoeld is het bord E8 uit bijlage 1 bij het RVV 1990.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Overtreden artikel: 24 lid 1 sub d RVV 1990.”
6. De stukken van het dossier bevatten daarnaast een op 25 oktober 2017 op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“Op de bovengenoemde datum bevond ik mij, [B] , op de Bijlmerdreef. Aldaar zag ik een voertuig voorzien van het kenteken [YY-000-Y] . Ik zag dat het voertuig op een oplaadpunt voor elektrische voertuigen stond geparkeerd. Ik zag dat het voertuig niet aangesloten c.q. aan het laden was (zie bijgevoegde foto’s). Vervolgens heb ik tien minuten waargenomen en zag geen laden en lossen activiteit rondom het voertuig.”
7. Op de bijgevoegde foto’s, gehecht aan de aankondiging van beschikking, zijn twee voertuigen te zien die voor een oplaadpaal voor elektrische voertuigen staan. Achter de laadpaal staat een lantaarnpaal waaraan een bord E8 is bevestigd met daarop een afbeelding van een personenauto. Onder het bord is een onderbord geplaatst. Op de foto is niet zichtbaar wat hierop staat. Onder dit onderbord is nog een onderbord geplaatst waarop twee pijlen staan, de ene pijl naar links en de andere naar rechts wijzend. Gelet op de positie van het bord en de pijlen heeft het bord betrekking op de plekken waar de voertuigen staan. Op de foto’s is tevens te zien dat het linker voertuig wel, maar het rechtervoertuig niet aan het opladen is. Op de derde foto wordt duidelijk dat het rechtervoertuig het voertuig van de betrokkene is (voorzien van kenteken [YY-000-Y] ). In de aankondiging van beschikking is voorts nog het volgende vermeld: “Soort voertuig: personenauto”.
8. Op eerder in de procedure door de gemachtigde overgelegde foto’s is wel zichtbaar wat op het (eerste) onderbord staat, namelijk de tekst “Opladen elektrische voertuigen”.
9. Bord E8 geeft een parkeergelegenheid aan alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven. In de onderhavige zaak betreft dit een personenauto. Niet in het geding is dat het voertuig van de betrokkene een personenauto is, zodat het behoort tot de op het bord E8 aangegeven voertuigcategorie. Gelet hierop had geen sanctie mogen worden opgelegd voor de onder 1. genoemde en in de inleidende beschikking omschreven gedraging.
10. De verklaring van de ambtenaar en de foto’s bieden aanknopingspunten voor het oordeel dat het voertuig met voormeld kenteken in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten tweede, van het RVV 1990 op een met het bord E8 aangeduide parkeergelegenheid heeft geparkeerd op een andere wijze dan op het bord of onderbord is aangegeven. Overtreding van deze bepaling betreft de gedraging met feitcode R397E.
11. In dit kader van belang luidt artikel 67, tweede lid, van het RVV 1990: "Indien het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven door middel van teksten of tekens al dan niet in combinatie met symbolen, blijkt het beoogde verkeersgedrag uit het onderbord." Dit in acht nemende, volgt uit het onder het E8 geplaatste onderbord in deze zaak dat de aangegeven wijze van parkeren op die parkeerplaats inhoudt dat elektrische voertuigen worden opgeladen.
12. Niet staat ter discussie dat het voertuig van de betrokkene niet werd opgeladen op het moment van de gedraging. Het is volgens vaste rechtspraak geoorloofd om de feitcode te wijzigen indien een betrokkene daardoor niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Nu het aan de gewijzigde kwalificatie ten grondslag liggende feitencomplex hetzelfde blijft, de gemachtigde er blijk van heeft gegeven te weten waartegen de betrokkene zich moest verdedigen, de advocaat-generaal in diens verweerschrift hiertoe een voorzet heeft gegeven waarop de gemachtigde verder niet meer heeft gereageerd en de hoogte van het bedrag van de sanctie voor beide gedragingen gelijk is, is het hof van oordeel dat de betrokkene door de wijziging van de feitcode niet in haar belangen is geschaad.
13. Het hof zal overgaan tot wijziging van de feitcode. Dit betekent dat de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard, zal worden vernietigd en dat het hof, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond zal verklaren en die beschikking voor wat betreft de daarin opgenomen feitcode en omschrijving van de gedraging wijzigen in “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeergelegenheid op een andere dan de aangegeven wijze (R397E)”.
14. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee procespunten te worden toegekend. De kantonrechter heeft reeds een proceskostenvergoeding toegekend voor de proceshandelingen verricht in de procedure bij de kantonrechter. Die beslissing zal door het hof in zoverre worden bevestigd. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 525,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
bevestigt die beslissing voor het overige;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt die beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeergelegenheid op een andere dan de aangegeven wijze (R397E)”;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 525,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.