Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een verzoek van de vrouw tot schorsing van de werking van een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland waarin is bepaald dat de man huurder is van de echtelijke woning. De vrouw stelt dat zij geen vervangende woonruimte kan vinden en vreest dat de man de huur zal opzeggen voordat het hoger beroep over het huurrecht is beslist.
De man betwist deze stellingen en wijst erop dat de vrouw bij haar ouders woont en geen bewijs heeft geleverd van dakloosheid. Het hof overweegt dat de vrouw niet de juiste procespartij is, maar laat dit om proceseconomische redenen buiten beschouwing. Het hof toetst het verzoek tot schorsing aan de criteria van artikel 360 lid 2 Rv Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof concludeert dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die een schorsing rechtvaardigen. Bovendien is er een voorlopige voorziening van kracht die de man het recht geeft het gebruik van de woning voort te zetten totdat het huurrecht definitief is vastgesteld. Daarom wijst het hof het schorsingsverzoek af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking af.