Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen van 24 mei 2020 tot 24 november 2020. De vader is het niet eens met deze verlenging en verzoekt het hof deze af te wijzen, terwijl de gecertificeerde instelling (GI) het verzoek van de vader afwijst.
De minderjarige, geboren in 2010, woont bij zijn moeder en heeft omgangsweekenden bij de vader. De ouders zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag. De ondertoezichtstelling is sinds 2016 van kracht met een onderbreking in 2018, en opnieuw ingesteld in 2019. Het hof toetst of de verlenging noodzakelijk is op grond van artikel 1:255 en Pro 1:260 BW.
Het hof oordeelt dat de verlenging terecht is omdat de minderjarige een beperking en autisme heeft, waardoor veel structuur nodig is. De ouders verschillen van opvoedstijl en hoewel communicatie is verbeterd, blijft de situatie instabiel. De moeder is terughoudend door de impulsieve reacties van de vader. De omgangsweekenden bij de vader zijn recentelijk enkele keren niet doorgegaan, wat de onrust illustreert.
De GI en moeder benadrukken het belang van de huidige jeugdbeschermer als vertrouwenspersoon voor de minderjarige, die angstig is door eerdere ruzies. De vader handhaaft zijn bezwaren tegen de GI, maar het hof acht het cruciaal dat de minderjarige deze vertrouwensband behoudt. Het hof bekrachtigt daarom de beslissing van de kinderrechter en benadrukt het belang van verdere samenwerking en ondersteuning voor het gezin.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 24 november 2020.