ECLI:NL:GHARL:2020:8834

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.242.945/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 5 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder kaart ondanks afwezigheid bestuurder

De betrokkene kreeg een boete van €370 voor het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart op 15 mei 2017 in Veenendaal. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond, vernietigde de beslissing van de officier van justitie en wees het beroep tegen de inleidende beschikking af.

In hoger beroep voerde de gemachtigde aan dat de bebording ter plaatse ontbrak of onvoldoende duidelijk was en dat de sanctie ten onrechte op kenteken was opgelegd terwijl de bestuurder niet aanwezig was. Ook werd de bevoegdheid van de ambtenaar betwist.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter terecht had geoordeeld dat de overtreding was vastgesteld, mede op basis van een foto en de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig zonder gehandicaptenparkeerkaart geparkeerd stond. Het hof bevestigde dat bij afwezigheid van de bestuurder bij het voertuig de sanctie op kenteken mag worden opgelegd en dat de ambtenaar bevoegd was. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Het arrest bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.242.945/01
CJIB-nummer
: 207556796
Uitspraak d.d.
: 29 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 20 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 mei 2017 om 12:44 uur op de Kerkewijk in Veenendaal met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat niet vaststaat dat de verweten gedraging ter plaatse verboden is. De bebording op de betreffende locatie is niet aanwezig, althans onvoldoende duidelijk. Daarnaast is niet gebleken dat de ambtenaar de sanctie niet aan de bestuurder kon opleggen. De beslissing van de kantonrechter, dat in het geval de bestuurder voorafgaand aan de oplegging van de sanctie bij het voertuig aanwezig is of komt op kenteken mag worden bekeurd, is gebrekkig en onjuist. Aldus is ten onrechte op kenteken bekeurd. Verder is volgens de gemachtigde niet gebleken dat de ambtenaar ter zake van (de opsporing van) deze overtreding bevoegd is en dat de certificaten op orde zijn.
3. De kantonrechter heeft, onder vermelding van de inhoud van aanvullende proces-verbaal van de ambtenaar van 20 november 2017, geoordeeld dat kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op juiste gronden heeft beslist, nu de ambtenaar onder meer heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat het voertuig van de betrokkene ter plaatse met de achterkant naar het verkeersbord E6 geparkeerd stond en dat er in de auto geen gehandicaptenparkeerplaats duidelijk zichtbaar aanwezig was. De gedraging is ook vastgelegd op een bijgevoegde foto. Hieruit volgt genoegzaam dat de situatie en de bebording ter plaatse voldoende duidelijk was.
4. Verder heeft de kantonrechter terecht geconcludeerd dat ten tijde van de gedraging niemand bij het voertuig aanwezig was en overwogen dat het uitgangspunt is dat
na het uitschrijven van de bekeuringdeze niet alsnog aan een arriverende bestuurder wordt opgelegd. De stelling van de gemachtigde, dat dit in strijd is met de rechtspraak van het hof, berust op een onjuiste lezing van de uitspraak van de kantonrechter. Doorslaggevend is of de bestuurder zich ten tijde van de constatering van de gedraging in de onmiddellijke nabijheid van het voertuig bevindt. Als dat niet het geval is, zoals in deze zaak, kan de ambtenaar niet aanstonds vaststellen wie de bestuurder van het voertuig is. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat de ambtenaar een reële mogelijkheid heeft gehad de bestuurder staande te houden.
5. Ten aanzien van de bevoegdheid van de ambtenaar heeft als uitgangspunt te gelden dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd daartoe bevoegd en bekwaam was. Dit is slechts anders indien hetgeen wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar (vgl. het arrest van het hof van 23 december 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:10797). De enkele betwisting van die bevoegdheid doet een dergelijke twijfel niet ontstaan. Hetgeen de gemachtigde aanvoert, is onvoldoende om te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
6. Gelet op wat het hof in het arrest van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) heeft overwogen, is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarom hoeft het bezwaar tegen de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding geen bespreking. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd te ondertekenen.