ECLI:NL:GHARL:2020:8838

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.243.480/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebesluit wegens onjuiste toepassing artikel 5 Wahv bij staandehouding

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd van €230 voor gevaarlijk achteruitrijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder op grond van artikel 5 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), omdat de ambtenaar de bestuurder niet staande hield.

De gemachtigde voerde in hoger beroep aan dat artikel 5 Wahv Pro niet bedoeld is voor situaties waarin de ambtenaar in privétijd handelde. Het hof oordeelde dat de enkele vermelding dat de ambtenaar in privétijd was onvoldoende is om te concluderen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Er kunnen omstandigheden zijn waarbij staandehouding in privétijd niet mogelijk is, maar deze moeten concreet worden toegelicht.

Het hof stelde vast dat niet is bewezen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Daarom was de sanctie onterecht aan de kentekenhouder opgelegd. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de zekerheidstelling aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

Daarnaast veroordeelde het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €918,75. De overige bezwaren behoefden geen bespreking meer vanwege het vernietigen van de beschikking.

Uitkomst: De sanctiebeschikking aan de kentekenhouder wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van artikel 5 Wahv en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.243.480/01
CJIB-nummer
: 210177926
Uitspraak d.d.
: 29 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juni 2018, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “Achteruitrijden zonder het overige verkeer voor te laten gaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 augustus 2017 om 18:16 uur op de Adriaan van Beusechemweg in Harmelen met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
2. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat de sanctie ten onrechte met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd. De gemachtigde merkt daartoe op dat de wetgever dit artikel niet in het leven heeft geroepen voor situaties waarin de ambtenaar in privétijd is.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en voorts onder meer de volgende verklaring van de ambtenaar: “Gedragingsgegevens: Bestuurder reed meerdere malen gevaarlijk achteruit en reed bijna een motorrijder aan. (…) Reden geen staandehouding: ambtenaar was in privétijd.”
5. Het hof is van oordeel dat de enkele vermelding dat de constatering in privétijd is gedaan, onvoldoende is om te concluderen dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voor gedaan. Ook in privétijd kan onder omstandigheden sprake zijn van een reële mogelijkheid om een bestuurder van een voertuig staande te houden en/of aan te spreken. Er zijn echter ook omstandig- heden denkbaar waarbij zich in privétijd geen reële mogelijkheid voordoet om tot staandehouding over te gaan, bijvoorbeeld doordat een ambtenaar niet in een dienstvoertuig reed en daardoor geen gebruik kon maken van een transparant of andere stopmiddelen om het voertuig staande te houden. Van de ambtenaar mag worden verwacht dat hij die omstandigheden (kort) noemt in zijn toelichting.
6. Het verweer over de staandehouding is reeds in de procedure bij de kantonrechter gevoerd en heeft de kantonrechter noch de advocaat-generaal aanleiding gegeven om nader onderzoek te doen. Het hof acht het niet geraden om nu alsnog nadere informatie op te (doen) vragen bij de ambtenaar.
7. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden vastgesteld dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het onderhavige voertuig heeft voorgedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, namelijk het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. Dit brengt mee dat de overige bezwaren van de gemachtigde geen bespreking meer behoeven. Tevens zal het hof bepalen dat het bedrag van de zekerheidstelling aan de betrokkene dient te worden gerestitueerd.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Het hof beschouwt deze zaak en de zaken met de Wahv-nummers 200.243.482 en 200.243.486, waarin bij arresten van heden eveneens wordt beslist, als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. In deze zaken zijn (nagenoeg) identieke verweren gevoerd die hebben geleid tot de vernietiging van de inleidende beschikking.
10. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 525,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 918,75 (= 3,5 x € 525,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 918,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.