ECLI:NL:GHARL:2020:8877

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
30 oktober 2020
Zaaknummer
Wahv 200.241.624/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter inzake zekerheidstelling bij administratieve sanctie

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat niet tijdig zekerheid was gesteld voor betaling van een administratieve sanctie en administratiekosten volgens artikel 11 van Pro de Wahv.

De kantonrechter had het verweer van de betrokkene opgevat als een draagkrachtverweer, maar heeft dit niet volledig volgens de voorgeschreven procedure behandeld, omdat geen nadere termijn is gesteld om alsnog zekerheid te stellen.

Het hof oordeelt dat een voorwaardelijk draagkrachtverweer niet automatisch tot een procedurele verplichting leidt, maar wanneer de kantonrechter dit wel als draagkrachtverweer aanmerkt, de gebruikelijke procedure gevolgd moet worden: uitnodiging tot zitting, beoordeling draagkracht en zo nodig een termijn voor zekerheidstelling.

Omdat de kantonrechter dit niet heeft gedaan, vernietigt het hof de beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank met de opdracht een nieuwe termijn te bepalen voor zekerheidstelling. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe behandeling met inachtneming van correcte procedure bij draagkrachtverweer.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.624/01
CJIB-nummer
: 198957730
Uitspraak d.d.
: 30 oktober 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 16 maart 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet tijdig heeft voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling voor betaling van de sanctie en de administratiekosten als bedoeld in artikel 11 van Pro de Wahv.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter het verweer heeft opgevat als een draagkrachtverweer. De kantonrechter heeft het verweer inhoudelijk beoordeeld en vervolgens afgewezen als onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter heeft evenwel geen nadere termijn gesteld om de zekerheid alsnog te voldoen.
3. In hoger beroep is niet bestreden dat de betrokkene niet binnen de in artikel 11 van Pro de Wahv gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en de administratiekosten.
4. Uitgangspunt is dat de verplichting tot zekerheidstelling het recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie niet belemmert. Als echter blijkt dat de toegang tot de rechter door de financiële situatie van de betrokkene wel zou worden belemmerd, is de verplichting tot zekerheidstelling een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
5. In gevallen waarin de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter aanvoert dat om financiële redenen niet of niet binnen de termijn zekerheid kan worden gesteld tot het totale verlangde bedrag, heeft de kantonrechter onder meer de mogelijkheid de (gemachtigde van de) betrokkene uit te nodigen om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht van de betrokkene.
6. Als de kantonrechter de betrokkene uitnodigt om op een openbare zitting te worden gehoord over de financiële draagkracht, heeft de kantonrechter weer twee mogelijkheden:
- hij acht aannemelijk dat de betrokkene niet (volledig) in staat is zekerheid te stellen. In dat geval zal hij een bedrag van de zekerheid moeten vaststellen dat in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig moet de betrokkene een nadere termijn worden gegeven waarbinnen alsnog het verlaagde bedrag aan zekerheid kan worden gesteld;

of

- hij acht de betrokkene in staat volledig zekerheid te stellen. In dat geval moet de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn geven om alsnog het volledige bedrag van de zekerheid te betalen.
7. Het hof stelt vast dat geen sprake is van een onderbouwd draagkrachtverweer waarmee de kantonrechter rekening diende te houden. Het hof heeft reeds in meerdere zaken, waarin de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandsverlener optrad, overwogen dat de - ook in dit dossier aanwezige - stellingen in het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie die de gemachtigde als draagkrachtverweer kwalificeert een voorwaardelijk draagkrachtverweer opleveren waarbij het voeren van een draagkrachtverweer afhankelijk wordt gesteld van het eventueel niet stellen van zekerheid. De kantonrechter hoefde daar dan ook geen gevolg aan te geven. Gelet op het navolgende kan de beslissing van de kantonrechter niettemin niet in stand blijven.
8. Nu de kantonrechter het voorwaardelijk draagkrachtverweer wel als een draagkrachtverweer heeft opgevat en de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld hieromtrent te worden gehoord op de zitting van 16 maart 2018, heeft de kantonrechter vervolgens niet gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 6. is overwogen. De kantonrechter heeft immers geen nadere termijn gegeven om alsnog het volledige bedrag aan zekerheid te betalen. Gelet hierop moet de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd en de zaak worden teruggewezen naar de rechtbank. Na terugwijzing van de zaak moet de kantonrechter een nieuwe termijn bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in artikel 11 van Pro de Wahv kan stellen. Dit moet de griffier van de rechtbank vervolgens in ieder geval aan de gemachtigde van de betrokkene mededelen (artikel 11, vierde lid, van de Wahv).
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt) en de nadere toelichting (0,5 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.