ECLI:NL:GHARL:2020:9092

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 november 2020
Publicatiedatum
4 november 2020
Zaaknummer
200.264.606/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 68 lid 6 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking wegens onvoldoende bewijs rijden door rood licht

Betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd voor het rijden door rood licht en het niet voor laten gaan van ander verkeer. De kantonrechter wijzigde de feitcode en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. In hoger beroep stelde betrokkene dat hij niet door rood reed en dat er geen bewijs was behalve de verklaring van de ambtenaar.

Het hof oordeelde dat het dossier onvoldoende informatie bevatte om vast te stellen dat de gedraging was begaan, mede omdat het zaakoverzicht geen gegevens bevatte over het niet voor laten gaan van verkeer en het type verkeerslicht. Ook was de roodlichttijd niet vermeld. Het hof verbond geen gevolgen aan de vertraging in toezending van de uitspraak.

Het hof vernietigde daarom de beschikking en de beslissing van de officier van justitie, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat reeds betaalde sancties worden gerestitueerd. De verklaring van de ambtenaar was onvoldoende zonder aanvullende feiten of omstandigheden.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beschikking wegens onvoldoende bewijs en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.264.606/01
CJIB-nummer
: 218921133
Uitspraak d.d.
: 4 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 mei 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 160,- voor: “rechtsaf door geel/rood licht en ander verkeer niet voor laten gaan (feitcode R603)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 juli 2018 om 08:20 uur op de Schedeldoekshaven in ’s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .
2. De kantonrechter heeft in diens beslissing op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie de feitcode en de omschrijving van de gedraging gewijzigd naar R604: “niet stoppen voor rood licht: tweekleurig verkeerslicht”. Gelet op deze wijzigingen kon de kantonrechter niet volstaan met het beroep ongegrond te verklaren. Het hof leest voormelde beslissing van de kantonrechter zo dat daarbij het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond is verklaard, die beslissing en de inleidende beschikking zijn gewijzigd voor wat betreft de feitcode en omschrijving van de gedraging, en het beroep voor het overige ongegrond is verklaard.
3. In hoger beroep voert de betrokkene aan dat hij niet door rood is gereden. Voor de betreffende verkeerslichten is hij de stoep op gegaan om post af te geven bij Hotel Mercure (Spui 180). Hij verwacht daarbij niemand te hebben gehinderd omdat het die ochtend heel rustig op de weg was. Er is ook geen bewijs dat hij door rood is gereden, er is alleen de verklaring van de ambtenaar. Daarnaast heeft de ambtenaar een onjuiste (feit)code gebruikt. Een fout maken is menselijk maar doet de betrokkene nog meer twijfelen aan de waarneming van de ambtenaar. Tot slot geeft de betrokkene aan dat hij op 28 mei 2019 op de zitting van de kantonrechter is verschenen. Daar werd hem verteld dat hij twee weken later de uitspraak per post zou ontvangen. Uiteindelijk heeft de betrokkene op 15 juli 2019, 48 dagen na de zitting, de uitspraak ontvangen. Hij vraagt zich af of dit acceptabel is.
4. Vaststaat dat de beslissing van de kantonrechter op 28 mei 2019 is genomen en dat deze beslissing op 15 juli 2019 aan de betrokkene is verzonden. Het hof is het met de betrokkene eens dat tussen het nemen van de beslissing en het toezenden daarvan een geruime tijd zit. Dit laat echter onverlet dat geen wettelijk voorschrift de kantonrechter verplicht om binnen een bepaalde tijd na het nemen van een beslissing deze aan de betrokken procespartijen te doen toekomen. Het hof zal aan het feit dat de beslissing van de kantonrechter ongeveer zeven weken na het nemen daarvan aan de betrokkene is verzonden dan ook geen gevolgen verbinden.
5. Het hof stelt voorop dat het niet zo is dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of er specifieke feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Reed door het rode licht en alowg vervolgens rechtsaf het Spui op (geen onderbord).
Overtreden artikel: 62 jo 68 lid 6 RVV 1990. (…)
Verklaring betrokkene: Ik reed niet door het rode licht.”
7. In het licht van het door de betrokkene gevoerde verweer bevat het dossier naar oordeel van het hof onvoldoende redenen van wetenschap van de ambtenaar ten aanzien van de gedraging in onderhavig geval, om vast te kunnen stellen welk verwijt de betrokkene kan worden gemaakt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in het zaakoverzicht geen gegevens of toelichting is opgenomen met betrekking tot het verkeer dat de betrokkene niet voor heeft laten gaan en of er sprake is van een twee- of driekleurig verkeerslicht. Daarnaast is de roodlichttijd door de ambtenaar niet aangegeven. Het hof ziet, in aanmerking genomen het tijdsverloop na de pleegdatum en het feit dat de advocaat-generaal in de gelegenheid is geweest om bij verweerschrift aanvullende informatie in het geding te brengen, ervan af om de advocaat-generaal nu nog te verzoeken om een aanvullend proces-verbaal te overleggen.
8. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de inleidende beschikking daarom vernietigen. Dit leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking waarbij, onder voornoemd CJIB-nummer, een sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen tot zekerheid is gesteld aan de betrokkene wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.