ECLI:NL:GHARL:2020:9214

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 november 2020
Publicatiedatum
10 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.269.827
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2.42 VRArt. 5.2.42 RVArtikel 11 WAHVRichtlijn 92/22/EEGInstructie meting lichtdoorlatendheid (Registratienummer 2015I002)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens ontbreken meting lichtdoorlatendheid autoruiten

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het aanbrengen van donkere folie op de zijruiten van zijn voertuig, waardoor het uitzicht werd belemmerd. De ambtenaar constateerde de folie visueel, maar voerde geen meting uit van de lichtdoorlatendheid omdat het benodigde meetinstrument ontbrak en hij niet gecertificeerd was.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het hof oordeelde dat zonder een objectieve meting van de lichtdoorlatendheid geen sanctie kan worden opgelegd op grond van de specifieke norm in artikel 5.2.42, derde lid, van de Regeling voertuigen (RV). De algemene regel dat onnodige voorwerpen het uitzicht niet mogen belemmeren, kan niet zonder meer worden toegepast als er geen meting is verricht.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking van de officier van justitie. Het verzoek van de betrokkene tot compensatie werd niet inhoudelijk behandeld vanwege de vernietiging. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken te Leeuwarden op 10 november 2020.

Uitkomst: Sanctiebeschikking vernietigd wegens ontbreken van meting lichtdoorlatendheid autoruiten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.269.827/01
CJIB-nummer
: 222638444
Uitspraak d.d.
: 10 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als bestuurder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van
€ 140,- voor: “voorruit/zijruiten/windscherm/achterruit geen rechter buitenspiegel voorzien van uit zicht belemmerende onnodige voorwerpen (feitcode N420B)”. Deze gedraging zou zijn verricht op
3 januari 2019 om 11:00 uur op het Keizer Karelplein in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De betrokkene voert onder meer aan dat de ambtenaar slechts heeft aangegeven dat hij de bestuurder niet in het voertuig heeft zien zitten. Er heeft geen meting van de lichtdoorlatendheid van de ruiten plaatsgevonden. Dit is in strijd met Europese regelgeving. Tevens verzoekt hij om toewijzing van een compensatie berekend volgens bij EU-verdrag vastgelegde bepalingen voor het aantal dagen dat de nationale regelgeving niet samenloopt met de van toepassing zijnde Europese regelgeving.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: Ik zag dat op de naast de bestuurder aanwezige zijruiten van het voertuig een folie was aangebracht waardoor deze ruiten er aanmerkelijk donkerder uitzagen dan gebruikelijk voor dit merk en type voertuig. Ik zag dat vanaf de bestuurderszitplaats het zicht door deze ruiten naar buiten ook beduidend minder was dan het zicht dat bij soortelijke voertuigen gebruikelijk is. (…) De waarde van de lichtdoorlatendheid is niet gemeten. Dit behoeft niet want de folie die erop is aangebracht kan gezien worden als het aanbrengen van onnodige voorwerpen die het uitzicht kunnen belemmeren.
Opmerkingen ambtenaar: (…) De zijruiten waren voorzien van folie. Dit zijn voorwerpen die het uitzicht belemmeren want ik kon de bestuurder niet zien zitten. De ramen waren door het aanbrengen van deze folie zo donker geworden dat er geen communicatie via het gezicht kon worden gevoerd. Er behoeft geen meting plaats te vinden voor het aanbrengen van onnodige voorwerpen aan een raam. De folie is ter plaatse direct verwijderd. Aan de betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene: Ik heb de auto zo gekocht. De folie zat er al op. Ik weet niet beter of de politie vond dit goed.”
4. Daarnaast bevindt zich bij de stukken een op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal van 10 maart 2020. Hierin verklaart de ambtenaar - voor zover hier relevant - het volgende:
“Ik zag dat de ramen van de voorportieren donker gekleurd waren. Ik zag alleen een contour achter het stuur zitten. Ik kon niet zien of het een man of een vrouw betrof omdat de ramen zo donker waren. (…) Deze folie was zo donker dat men niet in het interieur kon kijken. (…) Ik heb daadwerkelijk vastgesteld dat het folie betrof. Ik kon op dat moment niet beschikken over een Tintman, waarmee ik de lichtdoorlatendheid kon meten. Deze was niet voorradig en ik ben niet gecertificeerd om deze te hanteren. Derhalve heb ik de feitcode N420B gehanteerd. (…) Bij het uitschrijven en behandelen van de bekeuring blijken er allemaal meetgegevens te worden toegevoegd zonder resultaten omdat ik geen meting heb gedaan. Deze metingen, vernoemd onder de nummers 18 tot met 46, moeten komen te vervallen.”
5. Tot 1 mei 2009 betrof de betrokkene verweten gedraging een overtreding van artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het voertuigreglement (hierna: VR). Artikel 5.2.42 van het VR luidde - voor zover hier relevant - als volgt:
"1. De voorruit en de zijruiten van personenauto's mogen:
a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen,
b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
2. (…)
3. Onze Minister kan regels vaststellen omtrent het bepaalde in het eerste lid."
6. De nota van toelichting bij artikel 5.2.42 van het VR hield onder meer in:
"Toegevoegd is de eis dat ruiten niet mogen zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder beperken. Te denken valt daarbij aan stickers, lichtdoorlaatbaarheid beperkende folies of voor wat betreft de achterruit, jaloezieën die de achterruit dichtmaken. Een en ander zal in lagere regelgeving nader kunnen worden ingevuld."
7. Bij gebrek aan een concrete uitwerking van dat wat in artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het VR was verboden, heeft het hof geoordeeld dat het noodzakelijk was dat naar objectieve maatstaven werd vastgesteld of lichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op autoruiten het uitzicht van bestuurders belemmerde. Daarbij heeft het hof aansluiting gezocht bij de eisen die - de destijds van toepassing zijnde - Richtlijn 92/22/EEG in artikel 9.1.4.1. van de bij die richtlijn behorende bijlage IIA aan de lichtdoorlaatbaarheid van de ruiten van motorvoertuigen stelde, namelijk 75% en 70% (bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 15 maart 2006, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2006:AV5248).
8. Op 1 mei 2009 is de Regeling voertuigen (hierna: RV) in werking getreden. Sindsdien luidt artikel 5.2.42 - voor zover hier van belang - als volgt:
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. (…);
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren;
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen;
4. (…)
5. (…)
9. Met de invoering van de RV is in de regelgeving een concrete norm voor lichtdoorlatendheid bepaald. Dit is voor het hof aanleiding geweest om bij de beoordeling van zaken waarin een sanctie is opgelegd voor overtreding van artikel 5.2.42, eerste lid, onder b, van het VR aan te sluiten bij de percentages genoemd in artikel 5.2.42, derde lid, van de RV (bijvoorbeeld Hof Leeuwarden 16 november 2011, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2011:BU5115).
10. Dit brengt mee dat als het gaat om zaken waarin de mate van uitzicht van een bestuurder wordt belemmerd door lichtdoorlaatbaarheid beperkende folies de specifieke regel zoals verwoord in artikel 5.2.42, derde lid, van de RV prevaleert boven de in artikel 5.2.42, tweede lid van de RV verwoorde algemene regel
(lex specialis derogat legi generali). Alleen zo wordt op een voor alle voertuigen gelijke, consequente wijze vastgesteld of lichtdoorlaatbaarheid beperkende folie op autoruiten het uitzicht van een bestuurder belemmert.
11. Gelet op het bovenstaande kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.
Wijziging van de inleidende beschikking in die zin dat de gedraging komt te luiden "de lichtdoorlaatbaarheid van voorruit/voorste zijruit(en) bedraagt minder dan 55% (feitcode N420D)" is niet mogelijk nu geen meting is verricht overeenkomstig de Instructie meting lichtdoorlatendheid (Registratienummer 2015I002)).
12. Dit leidt er toe dat het hof als volgt zal beslissen. In verband hiermede komt het hof niet toe aan de bespreking van de overige bezwaren en het verzoek om compensatie van de betrokkene.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.