Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten, vader en dochter, waren gezamenlijk bestuurder en aandeelhouder van Diehl B.V., een vennootschap die een café-restaurant exploiteerde. Vanaf de opening in december 2012 tot het faillissement in november 2014 hebben zij geen salaris ontvangen, maar wel bedragen privé opgenomen en een rekening-courantschuld opgebouwd.
De curator vorderde betaling van deze bedragen omdat er geen grondslag was voor de betalingen en geen sprake was van een verrekenbare vordering op de vennootschap in de zin van artikel 53 Faillissementswet Pro. Appellanten stelden dat zij aanspraak hadden op salaris en dat de bedragen als voorschotten daarop moesten worden beschouwd.
Het hof oordeelde dat er geen verloning heeft plaatsgevonden, noch afspraken over salarisvergoedingen, en dat de keuze om niet te verlonen bewust was genomen om fiscale claims te vermijden. De stellingen van appellanten konden niet leiden tot een verrekenbare vordering. Ook een beroep op ongerechtvaardigde verrijking werd verworpen omdat de situatie bewust was geaccepteerd.
Verder werden door appellanten gemaakte kosten niet toegerekend wegens gebrek aan bewijs en afspraken. Het hoger beroep werd verworpen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en appellanten werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat appellanten de door de curator gevorderde bedragen moeten terugbetalen en veroordeelt hen in de proceskosten.