ECLI:NL:GHARL:2020:9342

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 november 2020
Publicatiedatum
12 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.255.867/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid onder Wahv

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet stellen van de vereiste zekerheid onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).

De betrokkene voerde aan dat de zekerheidsbrieven en tussenbeslissing niet voldeden aan de wettelijke eisen, met name het ontbreken van de relevante wetsbepaling. Het hof oordeelde echter dat de betrokkene hierdoor niet in zijn belangen was geschaad, omdat hij duidelijk was geïnformeerd dat zekerheid moest worden gesteld en hij de gelegenheid kreeg zijn financiële draagkracht toe te lichten.

De kantonrechter had de betrokkene meerdere malen de kans gegeven om zekerheid te stellen en zijn draagkracht aan te tonen, maar deze heeft hier geen gevolg aan gegeven. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid onder de Wahv.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.255.867/01
CJIB-nummer
: 210434029
Uitspraak d.d.
: 12 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
2. Namens de betrokkene is niet bestreden dat niet binnen de gestelde termijn zekerheid is gesteld. De gemachtigde voert aan dat zowel de zekerheidsbrieven als de tussenbeslissing van de kantonrechter niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 30 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10471, voert de gemachtigde aan dat de voorgeschreven mededeling van de officier van justitie tenminste moet inhouden dat op grond van een wettelijk voorschrift zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie. Aan deze eis voldoen de door het openbaar ministerie verstuurde zekerheidsbrieven en de tussenbeslissing van de kantonrechter niet. De kantonrechter had mitsdien het beroep niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wahv in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
4. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.
5. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid (oud), Wahv in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.
6. Bij brief van 25 september 2018 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van de betrokkene opgeroepen voor een zitting van de kantonrechter op 14 november 2018. In die brief is aan de gemachtigde meegedeeld dat hij ter zitting de gelegenheid krijgt de financiële situatie van de betrokkene nader toe te lichten. Bij brief van 1 oktober 2018 heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat de betrokkene student is en financieel niet in staat is de aan hem opgelegde sancties te voldoen. De gemachtigde heeft een bankafschrift d.d. 20 december 2017 bijgevoegd, waaruit blijkt dat de betrokkene alleen studiefinanciering ontvangt en afschriften van een aantal andere opgelegde boetes overgelegd.
7. Bij tussenbeslissing van 28 november 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is het sanctiebedrag tijdig te voldoen en het aan zekerheid te stellen bedrag niet verlaagd. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de vereiste zekerheidstelling te voldoen. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat binnen de in de tussenbeslissing vermelde termijn geen zekerheid is gesteld.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 5. is overwogen. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het draagkrachtverweer nader te onderbouwen met bewijsstukken waaruit zijn financiële positie blijkt en heeft dit ook gedaan. De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer ongegrond geacht en de betrokkene een nadere termijn gegund om alsnog zekerheid te stellen. Dit heeft de betrokkene niet gedaan. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter, gelet op de hem ter beschikking staande informatie, niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen.
9. Het hof is van oordeel dat de betrokkene door de onjuiste mededelingen omtrent de zekerheidstelling niet in zijn belangen is geschaad, nu hij in reactie op deze brieven een draagkrachtverweer heeft gevoerd en op basis daarvan is uitgenodigd voor een zitting bij de kantonrechter om, onder meer, zijn financiële positie nader te onderbouwen. Voor de betrokkene was aldus, ondanks dat de zekerheidsbrieven niet geheel aan de daartoe gestelde vereisten voldeden, voldoende duidelijk dat hij zekerheid diende te stellen alvorens in zijn beroep te kunnen worden ontvangen. Ditzelfde geldt voor het niet vermelden van het wettelijk voorschrift in de tussenbeslissing van de kantonrechter. Het voorgaande leidt daarom niet tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Rotterdam.
10. Nu de betrokkene niet binnen de nader gestelde termijn de verlangde zekerheid heeft gesteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.