ECLI:NL:GHARL:2020:9361

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 november 2020
Publicatiedatum
12 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.246.787/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20d lid 2 WahvArt. 11 lid 3 WahvArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing zaak wegens onjuiste behandeling draagkrachtverweer in bestuursstrafrechtelijke procedure

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie in een bestuursstrafrechtelijke procedure op grond van de Wahv. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene geen zekerheid had gesteld. De gemachtigde voerde aan dat het draagkrachtverweer, onderbouwd bij brief van 7 februari 2018, niet was betrokken bij de beoordeling.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter het draagkrachtverweer niet juist heeft behandeld, aangezien de onderbouwing niet is meegenomen in de beoordeling. Volgens het hof moet de kantonrechter bij een gemotiveerd draagkrachtverweer de betrokkene de gelegenheid geven zijn financiële situatie toe te lichten op een openbare zitting en zo nodig een aangepaste termijn geven voor zekerheidstelling.

Omdat de kantonrechter dit niet heeft gedaan, kan de beslissing niet in stand blijven. Het hof vernietigt daarom de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld.

Uitkomst: De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.246.787/01
CJIB-nummer
: 207635995
Uitspraak d.d.
: 12 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 26 juli 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
2. Namens de betrokkene is niet bestreden dat niet binnen de gestelde termijn zekerheid is gesteld. De gemachtigde voert aan dat bij brief van 7 februari 2018 het draagkrachtverweer nader is onderbouwd. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt niet dat deze onderbouwing bij de beoordeling is betrokken. De beslissing van de kantonrechter kan gelet hierop niet in stand blijven, aldus de gemachtigde.
3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wahv in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
4. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.
5. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, derde lid (oud), Wahv in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.
6. De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter aangevoerd dat de betrokkene onvoldoende middelen heeft om zekerheid te stellen en dat hij zijn financiële situatie nader wenst toe te lichten. Bij brief van 7 februari 2018 heeft de gemachtigde de gronden van het beroep aangevuld en daarin (naast de gronden tegen de beslissing van de officier van justitie) aangevoerd dat de betrokkene student is en financieel niet in staat is de aan hem opgelegde sancties te voldoen. De gemachtigde heeft een bankafschrift d.d. 20 december 2017 bijgevoegd, waaruit blijkt dat de betrokkene alleen studiefinanciering krijgt en afschriften van een aantal andere opgelegde boetes overgelegd.
7. Bij brief van 20 februari 2018 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde van de betrokkene opgeroepen voor een zitting van de kantonrechter op 22 maart 2018. In die brief is aan de gemachtigde meegedeeld dat hij ter zitting de gelegenheid krijgt de financiële situatie van de betrokkene nader toe te lichten. Bij tussenbeslissing van 22 maart 2018 heeft de kantonrechter overwogen dat door de betrokkene geen gegevens zijn overgelegd met betrekking tot zijn financiële situatie of feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit kan worden afgeleid dat betrokkene financieel niet in staat is om zekerheid te stellen, Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de betrokkene daarom niet aannemelijk gemaakt dat de betrokkene geen zekerheid kan voldoen. Voorts heeft de kantonrechter geoordeeld dat de betrokkene in de gelegenheid moet worden gesteld om nadere gronden voor zijn beroep in te dienen. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken alsnog volledige zekerheid te stellen en voor een nader te bepalen zitting nadere gronden voor zijn beroep dient in te dienen. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat binnen de in de tussenbeslissing vermelde termijn geen zekerheid is gesteld.
8. Uit hetgeen de kantonrechter in de (tussen)beslissing heeft overwogen blijkt dat de kantonrechter de brief van de gemachtigde van 7 februari 2018 - waarin én het draagkrachtverweer werd onderbouwd én gronden van beroep werden aangevoerd - niet bij de beoordeling heeft betrokken. Gelet hierop heeft de kantonrechter zich niet een juist oordeel kunnen vormen omtrent het gevoerde draagkrachtverweer. De bestreden beslissing kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
Het hof ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, zoals de gemachtigde heeft verzocht, nu de zekerheidsprocedure nog niet volledig is doorlopen en het hof de zaak dus nog niet inhoudelijk kan behandelen.
9. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.