ECLI:NL:GHARL:2020:943

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
4 februari 2020
Zaaknummer
200.265.529
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof wijst schorsing tenuitvoerlegging vonnis bij voorraad in civiele zaak over industriële kleppen

In deze civiele procedure tussen SDB General Trading L.L.C. en ITT Controls B.V. heeft het hof een incidentele vordering van SDB toegewezen tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 1 mei 2019.

SDB had de rechtbank primair vernietiging en subsidiair ontbinding gevorderd van drie overeenkomsten voor levering van industriële kleppen, alsmede terugbetaling van een geldsom van €594.350,- vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank wees deze vorderingen af en veroordeelde SDB in de proceskosten, waarvan de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

In hoger beroep stelde SDB een incidentele vordering in tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis. Het hof oordeelde dat de rechtbank geen gemotiveerde beslissing had gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waardoor het hof zelf een belangenafweging moest maken. SDB stelde onweersproken dat zij belang had bij schorsing, omdat zij de geldsom pas hoeft te voldoen als de veroordeling onherroepelijk is. ITT voerde geen verweer tegen de vordering. Daarom wees het hof de schorsing toe en hield de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak zelf bleef in behandeling.

Uitkomst: Het hof wijst de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.265.529
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, NL18.12840)
arrest van 4 februari 2020
in het incident ex artikel 351 Rv Pro in de zaak van
de rechtspersoon naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten
SDB General Trading L.L.C.,
gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
appellante, tevens eiseres in het incident,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna: SDB,
advocaat: mr. A. Kara,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ITT Controls B.V.,
gevestigd te Barneveld,
geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: ITT,
advocaat: mr. A.J.P. Ariëns.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem (hierna: de rechtbank), van 1 mei 2019.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 5 juli 2019;
- de memorie van grieven, tevens incidentele vordering, tevens wijziging van eis (met producties).
2.2
Vervolgens heeft SDB de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

3.De motivering van de beslissing

3.1
SDB en ITT hebben drie overeenkomsten met elkaar gesloten voor de levering van industriële kleppen door ITT aan SDB. SDB heeft bij de rechtbank primair vernietiging en subsidiair ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomsten gevorderd. Daarnaast heeft SDB gevorderd ITT te veroordelen tot terugbetaling aan SDB van € 594.350,-, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft de vorderingen van SDB bij vonnis van 1 mei 2019 afgewezen en SDB veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van ITT vastgesteld op € 10.144,-, vermeerderd met rente en nakosten. Het vonnis van de rechtbank is wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In hoger beroep heeft SDB een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis.
3.2
Het hof stelt het volgende voorop. De rechtbank heeft geen gemotiveerde beslissing gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het hof zal de incidentele vordering daarom beoordelen aan de hand van een belangenafweging die dient plaats te vinden in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van zijn wederpartij bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van het vonnis. [1]
3.3
SDB heeft onweersproken gesteld belang te hebben bij de incidentele vordering. Haar belang is erin gelegen dat zij de geldsom pas aan ITT hoeft te voldoen op het moment dat de veroordeling onherroepelijk is geworden. ITT heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering en geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de incidentele vordering zou moeten worden afgewezen. Gelet daarop zal het hof de incidentele vordering toewijzen.

4.De slotsom

4.1
Het hof zal de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis schorsen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
4.2
De hoofdzaak staat op de rol van heden voor memorie van antwoord (laatste termijn). De beslissing over de verdere voortgang van de hoofdzaak zal via de rol worden genomen. Het hof zal iedere beslissing aanhouden.

5.De beslissing

Het hof, recht doende:
in het incident:
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 mei 2019;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot daarover bij het eindarrest in de hoofdzaak zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep:
houdt iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H. Wammes en S.B. Boorsma en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2020.

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.