Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:9437

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 november 2020
Publicatiedatum
16 november 2020
Zaaknummer
200.284.934
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 1, aanhef en onder b FwArt. 288 lid 1, aanhef en onder c FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw en onvoldoende gedragsverandering

In deze zaak verzocht appellante om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, nadat de rechtbank Overijssel dit verzoek had afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen bij het ontstaan van enkele schulden en onvoldoende aannemelijkheid dat zij aan de verplichtingen van de regeling zou voldoen.

Appellante erkende in hoger beroep dat zij niet te goeder trouw was ten aanzien van een deel van haar schulden, waaronder een teruggevorderde kinderopvangtoeslag, een boete van het CJIB en schulden aan Kinderdomein Enschede. Ook gaf zij onvoldoende inzicht in andere schulden die recent waren ontstaan. Het hof concludeerde dat op grond hiervan toelating tot de regeling niet mogelijk was.

Appellante deed een beroep op de hardheidsclausule, stellende dat zij een positieve gedragsverandering heeft doorgemaakt, met stabiel budgetbeheer en inspanningen op de arbeidsmarkt. Het hof oordeelde echter dat deze positieve ontwikkelingen onvoldoende waren om de hardheidsclausule toe te passen, mede omdat vrijwel alle schulden binnen de vijfjaarstermijn waren ontstaan en de gedragsverandering nog te recent was.

Het hoger beroep werd daarom verworpen en het vonnis van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.284.934
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 253249)
arrest van 16 november 2020
in de zaak van
[appellante],
wonende te [A] ,
appellante, hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. F. Hoff.

1.Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 oktober 2020 is het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.
Het hof verwijst naar dat vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij ter griffie van het hof op 26 oktober 2020 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 oktober 2020. [appellante] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, te bepalen dat haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt toegewezen.
2.2
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen en van de brieven met bijlagen van 5 november 2020 en 6 november 2020 van mr. Hoff.
2.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 november 2020. Hierbij is [appellante] verschenen, bijgestaan door mr. Hoff.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1
[appellante] , geboren op 3 maart 1993, heeft in het verleden op Curaçao gewoond en is in 2014 samen met haar oudste (op 25 april 2012 geboren) kind in Nederland komen wonen.
Op 12 mei 2017 en op 30 juni 2019 zijn haar andere twee kinderen geboren. Samen met haar kinderen vormt zij een gezin. Na haar komst naar Nederland heeft [appellante] een MBO-opleiding tot pedagogisch medewerker gevolgd, waarbij zij niveau 1 heeft gehaald. Omdat zij zwanger raakte van haar tweede kind heeft zij de opleiding tot niveau 2 niet afgemaakt.
Sinds 21 juni 2017 maakte [appellante] gebruik van budgetbeheer bij de Stadsbank Oost Nederland (hierna: de Stadsbank). Op verzoek van [appellante] is deze regeling per 10 januari 2018 beëindigd. Op 12 maart 2018 heeft [appellante] opnieuw een overeenkomst tot budgetbeheer met de Stadsbank gesloten. Haar leefgeld bedraagt € 70 per week.
ontvangt een uitkering ingevolge de Participatiewet van € 999,70 netto per maand. Zij is door de gemeente Enschede tot 2024 vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen.
Sinds 30 april 2018 wordt [appellante] begeleid door [B] , wijkcoach van de gemeente Enschede, en sinds 13 mei 2019 door [C] van Jarabee.
In hoger beroep is zowel van de wijkcoach (26 oktober 2010) als van Jarabee (28 oktober 2020) een verklaring overgelegd.
3.2
[appellante] heeft volgens de bij het verzoekschrift WSNP ex art. 284 Fw Pro gevoegde crediteurenlijst in totaal ruim € 39.000 aan schulden. Hiertoe behoren schulden aan:
- de belastingdienst van € 6.572 (volgens het schuldoverzicht van 11 november 2019
onder meer bestaande uit terugvordering kinderopvangtoeslag over 2017 van € 6.385);
- OV studentenkaart B.V. van € 50,50 (ontstaan: 29 november 2019);
- ABN AMRO van € 586,43 (ontstaan: 12 november 2019);
- het CJIB van € 1.427,86 (ontstaan: 1 november 2019);
- Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) van € 4.830,60 (ontstaan: 20 december 2018);
- Kinderdomein Enschede van € 3.668,45 (ontstaan: 3 september 2018);
- NS Reizigers van € 430,04 (ontstaan: 18 december 2019);
- Translink Systems van € 282 (ontstaan: 3 januari 2020) en
- LuxStyle International Sales ApS (hierna: LuxStyle) van € 107,63 (ontstaan: 3 januari
2020).
3.3
De rechtbank heeft het verzoek van [appellante] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Aan deze beslissing is, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat [appellante] niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden (artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b van de Faillissementswet, hierna: Fw) en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een schuldsaneringsregeling de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder c Fw).
3.4
Het hof stelt vast dat [appellante] in hoger beroep niet heeft betwist dat zij ten aanzien van het ontstaan van een deel van haar in de vijfjaarstermijn gelegen schulden niet te goeder trouw is geweest. Hiertoe rekent het hof de uit de door de belastingdienst van [appellante] teruggevorderde kinderopvangtoeslag over 2017 gevolgde schuld en de daarmee verband houdende schuld aan Kinderdomein Enschede en de schuld aan het CJIB, die volgens het in hoger beroep overgelegde schuldoverzicht van het CJIB van 1 november 2019 betrekking heeft op een boetevonnis. [appellante] heeft desgevraagd niet kunnen toelichten waarop de aan haar opgelegde boete betrekking heeft.
Verder heeft [appellante] het hof geen inzicht kunnen geven in de achtergronden van de volgens de crediteurenlijst begin januari 2020 ontstane schulden aan Translink Systems en LuxStyle. Haar stelling dat de schuld aan ABN AMRO niet in 2019 (de op de crediteurenlijst vermelde datum) is ontstaan, maar al eerder, is ook niet onderbouwd.
Reeds op grond hiervan kan [appellante] niet tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten.
3.5
Aan het hof ligt dus alleen nog ter beoordeling voor het beroep van [appellante] om op grond van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro tot de
schuldsaneringsregeling te worden toegelaten.
Voor toepassing van de hardheidsclausule is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen. Er moet sprake zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen.
3.6
Hiervoor heeft [appellante] de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:
- met de kennis van nu zal zij niet meer dezelfde beslissingen nemen als ten tijde van het
ontstaan van haar schulden;
- het budgetbeheer loopt goed en haar financiële situatie is al jaren stabiel;
- ook uit de verklaringen van haar wijkcoach en Jarabee blijkt dat zij haar oude leefstijl al
geruime tijd duurzaam heeft losgelaten en
- ondanks het feit dat zij door de gemeente is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen,
solliciteert zij naar uiteenlopende banen in loondienst omdat zij graag wil werken.
3.7
Het hof is van oordeel dat de door [appellante] genoemde omstandigheden duiden op een positieve ontwikkeling, maar nog onvoldoende zijn om op dit moment toepassing te kunnen geven aan de hardheidsclausule. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de schuldenlast van [appellante] volgens de op de crediteurenlijst vermelde data vrijwel geheel in de vijfjaarstermijn is ontstaan en dat [appellante] ook nadat zij voor de tweede keer in budgetbeheer is gegaan nog schulden heeft gemaakt, de laatste twee schulden (zelfs nog) in januari 2020.
Nu ook de op zichzelf als positief aan te merken inspanningen van [appellante] op de arbeidsmarkt kennelijk nog maar van betrekkelijk kort geleden dateren - de door [appellante] overgelegde sollicitatiebewijzen bevatten grotendeels geen datum -, acht het hof het op dit moment nog te vroeg om van een bestendige gedragsverandering in de zin van artikel 288
lid 3 Fw te kunnen spreken en voorbij te gaan aan de vijfjaarstermijn als bedoeld in artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder b Fw.
3.8
Het hoger beroep faalt. Het vonnis van 20 oktober 2020 zal worden bekrachtigd.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 20 oktober 2020.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. Brand, H.L. Wattel en J.G.B. Pikkemaat, en is op
16 november 2020 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.