ECLI:NL:GHARL:2020:9591

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 november 2020
Publicatiedatum
19 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.278.712/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WahvArt. 9 WahvArt. 11 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid bij Wahv-sanctie

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie inzake een administratieve sanctie opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene geen zekerheid had gesteld zoals wettelijk vereist.

De betrokkene voerde aan dat hij geen natuurlijke persoon met een Burgerservicenummer (BSN) is, maar een mens van vlees en bloed, en daarom niet verplicht is zekerheid te stellen. Het hof oordeelde dat deze visie niet vrijstelt van de wettelijke verplichting. De officier van justitie had de betrokkene als dezelfde persoon erkend aan wie de sanctie was opgelegd, en de kantonrechter had terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van zekerheidstelling.

Het hof benadrukte dat de rechter gebonden is aan de wettelijke bepalingen en dat zekerheidstelling niet in strijd is met het EVRM, met name het vermoeden van onschuld. Het verweer van de betrokkene dat de rechter niet onafhankelijk zou zijn, werd verworpen. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep van de betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.278.712/01
CJIB-nummer
: 229196223
Uitspraak d.d.
: 19 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 24 april 2020, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen zekerheid is gesteld.
2. Het hof begrijpt het verweer aldus dat de betrokkene de inleidende beschikking niet erkent en daarmee ook niet de verplichting tot het stellen van zekerheid. De inleidende beschikking is gericht tegen een natuurlijke persoon met een BSN-nummer maar de betrokkene is een mens van vlees en bloed, genaamd [betrokkene] . De betrokkene heeft verweer gevoerd tegen de inleidende beschikking. Op dat beroepschrift heeft de officier van justitie beslist, waarmee de betrokkene als mens van vlees en bloed is erkend. De betrokkene kan geen zekerheid stellen omdat dat betekent dat hij een contract zou aangaan met de overheid en dat wil de betrokkene niet. Een rechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaart omdat geen zekerheid is gesteld is niet onafhankelijk omdat hij al bij voorbaat kiest voor een der procespartijen.
3. Het hof stelt vast dat bij inleidende beschikking een sanctie is opgelegd aan [betrokkene] . De betrokkene heeft tegen deze beschikking administratief beroep ingesteld. Indien de officier van justitie van mening was geweest dat de betrokkene een ander was dan degene aan wie de sanctie was opgelegd had hij de betrokkene, als niet beroepsgerechtigd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wahv, niet-ontvankelijk moeten verklaren. De officier van justitie heeft dat niet gedaan maar de betrokkene aangemerkt als dezelfde persoon als degene aan wie de sanctie is opgelegd.
4. Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft de betrokkene op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Wahv beroep ingesteld. Op dat beroep beslist de kantonrechter. Uit artikel 11, vierde lid, van de Wahv volgt dat de kantonrechter het beroep niet ontvankelijk moet verklaren als niet tijdig zekerheid is gesteld, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
5. Het staat de rechter, gelet op artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen, niet vrij om de innerlijke waarde van de wet te beoordelen. Zekerheidstelling voor de betaling van de opgelegde geldboete is voorts niet in strijd met artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het in dat artikel gewaarborgde vermoeden van onschuld (vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 9 november 1993, gepubliceerd in het blad Nederlandse Jurisprudentie 1994, 198). Dit betekent dat de rechter deze wetsbepaling moet toepassen en dat de omstandigheid dat volgens deze bepaling zekerheid moet worden gesteld bij de Minister niet betekent dat de rechter niet onafhankelijk is.
6. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd betreft geen omstandigheden die meebrengen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. De kantonrechter heeft het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.