ECLI:NL:GHARL:2020:9654

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 november 2020
Publicatiedatum
23 november 2020
Zaaknummer
Wahv 200.247.567/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid, WahvArt. 6, eerste lid, EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden ondanks termijnoverschrijding

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 29 september 2014 in Rotterdam. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene gegrond verklaard tegen de beslissing van de officier van justitie, maar het gerechtshof bevestigt deze beslissing in hoger beroep.

De betrokkene stelde dat hij stilstond bij een rood verkeerslicht en zijn telefoon uit had gezet, en betwistte de waarneming van de verbalisant dat hij reed en een Samsung-telefoon vasthield. Het hof oordeelde echter dat de verklaring van de ambtenaar betrouwbaar is en dat het merk van de telefoon bij staandehouding is vastgesteld.

Verder voerde de betrokkene aan dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, wat het hof bevestigde. Omdat de sanctie lager is dan €1000,- volstaat een constatering van schending van artikel 6 EVRM Pro zonder matiging van de sanctie. Ook de persoonlijke en financiële omstandigheden van de betrokkene boden geen grond voor matiging.

Het hof wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en bevestigde de sanctie van €230, waarmee de beslissing van de kantonrechter werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €230 voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.247.567/01
CJIB-nummer
: 184803840
Uitspraak d.d.
: 23 november 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 8 augustus 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 1.002,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 september 2014 om 18.30 uur op de Tjalklaan in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene stilstond voor een rood verkeerslicht en zijn telefoon uitzette, toen hij werd staandegehouden, terwijl de verbalisant vermeldt dat hij reed. De verbalisant beweert voorts dat de betrokkene met een Samsung telefoon telefoneerde, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer iemand rijdt en met de linkerhand een telefoon tegen het linkeroor houdt, niet te zien is of dit een Samsung telefoon is of een telefoon van een ander merk. Er bestaat daarom gerede twijfel of de waarneming van de verbalisant juist was. Bovendien is het niet verboden om een telefoon uit te zetten, maar slechts om een telefoon vast te houden.
3. De gemachtigde voert voorts aan dat tussen het moment van de gedraging en de beslissing van de kantonrechter meer dan 4 jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en de kantonrechter de sanctie had moeten matigen. De gemachtigde wijst tot slot op de zeer slechte persoonlijke omstandigheden waarin de betrokkene verkeert en verzoekt om gelet op de financiële situatie van de betrokkene de opgelegde sanctie te matigen.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld. In het dossier bevindt zich voorts een kopie van de aankondiging van beschikking waarin onder meer nog het volgende vermeld is: “Voertuig reed op Tjalklaan. Bestuurder telefoneerde met een Samsung telefoon. Linkerhand linkeroor.”
6. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield in zijn linkerhand. Het is het hof ambtshalve bekend dat de ambtenaar in dergelijke zaken na de waarneming dat tijdens het rijden een mobiele telefoon (of een op een mobiele telefoon gelijkend voorwerp) wordt vastgehouden, na staandehouding het merk van de mobiele telefoon noteert. Het hof leidt uit de verklaring van de ambtenaar dan ook af dat hij heeft gezien dat de betrokkene tijdens het rijden een telefoon met zijn linkerhand vasthield en dat bij staandehouding bleek dat de mobiele telefoon van het merk Samsung was. Het hof ziet in de enkele ontkenning dat tijdens het rijden een mobiele telefoon is vastgehouden onvoldoende reden tot twijfel aan de verklaring van de ambtenaar.
7. Naar het oordeel van het hof staat dan ook vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof - gelet op het gevoerde verweer - te beoordelen of er andere redenen zijn om een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
8. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de financiële omstandigheden waarin de betrokkene verkeert aanleiding zouden moeten zijn tot matiging van het sanctiebedrag. De enkele stelling dat de betrokkene geen woonruimte en geen inkomen heeft, enkel onderbouwd met een (citaat uit een) uitspraak van het hof Den Haag van 16 mei 2018 in een strafzaak, is daartoe onvoldoende.
9. Met betrekking tot het beroep op tijdsverloop overweegt het hof als volgt. In navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters heeft het hof bij arrest van 3 maart 2017 (ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg - inclusief het administratief beroep - langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden.
10. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met de vaststelling van voormelde schendingen volstaan. Aanleiding tot matiging van het sanctiebedrag is er derhalve niet.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.