De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van het beroepsmatig telen van ongeveer 10.853 hennepplanten in een oude melkfabriek. Hij was verantwoordelijk voor de elektrische installatie van de kwekerij, een rol die het hof als essentieel beschouwde voor de exploitatie van de hennepkwekerij.
Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Het bewijs was wettig en overtuigend, en de verdachte werd vrijgesproken van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. Gezien zijn eerdere onherroepelijke veroordeling voor een soortgelijk feit en de ernst van het bewezenverklaarde, achtte het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk.
Hoewel de rechtbank zes maanden gevangenisstraf oplegde, hield het hof rekening met een forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep en legde een straf van vijf maanden op, met aftrek van voorarrest. De straf weerspiegelt de ernst van het feit, de rol van de verdachte en zijn strafrechtelijk verleden.