AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging beslissing kantonrechter inzake overtreding doorgetrokken streep en informatieplicht officier van justitie
In deze zaak stond de vraag centraal of de betrokkene terecht een sanctie van €230,- opgelegd kreeg voor het rijden links van een doorgetrokken streep, zoals bedoeld in artikel 76 RVVPro 1990. De betrokkene en zijn gemachtigde voerden onder meer aan dat de aankondiging van beschikking en het proces-verbaal ontbraken en dat de wegmarkering niet duidelijk een doorgetrokken streep vormde vanwege onderbrekingen.
De kantonrechter had het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard vanwege een informatieplichtschending, maar het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het gerechtshof oordeelde dat het proces-verbaal van de zitting wel aanwezig was en aan de wettelijke eisen voldeed. Hoewel een foto van de overtreding niet was verstrekt, wat een schending van de informatieplicht opleverde, had dit geen gevolgen voor de vernietiging van de sanctie omdat de kantonrechter deze al had vernietigd.
Het hof stelde vast dat de wegmarkering zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet als een doorgetrokken streep, ondanks de afwateringssleuven. De overtreding staat daarmee vast. De beslissing van de kantonrechter om het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren werd bevestigd. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.198.142/01
CJIB-nummer
: 187683904
Uitspraak d.d.
: 7 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2016, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend met aanvullende stukken.
Op 28 maart en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep voorts schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
Beoordeling
1. De gemachtigde voert aan dat niet is gebleken dat van het verhandelde ter zitting bij de kantonrechter een proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank heeft hiervan geen afschrift toegezonden na het instellen van hoger beroep. Het is vaste rechtspraak van uw hof dat van iedere zitting een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt waarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en hetgeen ter zitting is voorgevallen, is vervat. Nu de beslissing van de kantonrechter hieraan niet voldoet, kan deze beslissing niet in stand blijven.
2. Het verweer treft geen doel. Het dossier bevat een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van 11 augustus 2016, tevens houdende beslissing op het beroep. Het proces-verbaal behelst de zakelijke inhoud van de aldaar afgelegde verklaringen en van hetgeen verder op de zitting is voorgevallen. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in artikel 12 junctoPro artikel 13, tweede en derde lid, van de Wahv. Dat een afschrift van dit proces-verbaal aan de gemachtigde is toegezonden (en ook door hem is ontvangen), blijkt uit het feit dat de gemachtigde een kopie daarvan aan zijn hoger beroepschrift heeft gehecht.
3. De gemachtigde wijst het hof er op dat op grond van Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures de zaakstukken van de opsporingsinstantie, en niet enkel het zaakoverzicht, aan hem verstrekt hadden moeten worden. In strijd met voornoemde richtlijn schiet artikel 11, vierde lid (oud), van de Wahv bovendien tekort waar het gaat om het recht om een eventuele weigering om informatie te verstrekken overeenkomstig de richtlijn aan te vechten, zoals in deze zaak de weigering door de officier van justitie om de aankondiging van beschikking dan wel het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de opgelegde sanctie in het geding te brengen. Uit het zaakoverzicht blijkt dat een foto van de verweten gedraging voorhanden is (foto in bijlage bij brondocument). Deze foto is echter niet beschikbaar gesteld. De kantonrechter heeft miskend dat reeds hierom de inleidende beschikking dient te worden vernietigd. In reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal merkt de gemachtigde op dat wel degelijk om deze foto is gevraagd. Er is in administratief beroep namelijk verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waartoe eventueel aanwezige foto’s behoren. Dat het een foto van Google Maps betreft, doet hieraan niet af.
4. In de fase van beroep bij de kantonrechter wordt het verstrekken van op de zaak betrekking hebbende stukken geregeld in artikel 11, lid 4 (oud), van de Wahv. Deze bepaling houdt - voor zover hier van belang - in: "Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen."
5. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief van 25 mei 2016 uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter op 22 juni 2016 en, nadat de zaak op zitting voor een duur van vier weken was aangehouden, vervolgens bij brief van 26 juli 2016 voor de zitting van 11 augustus 2016. In beide oproepingsbrieven is vermeld dat vanaf de datum van die brief tot één week voor de zitting de op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden ingezien bij de griffie. In de week voorafgaande aan de zitting is inzage niet meer mogelijk.
6. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat de gemachtigde (in de gehele procedure bij de kantonrechter) niet heeft verzocht om de stukken van het dossier in te zien dan wel een afschrift daarvan toegestuurd te krijgen. Nu geen verzoek is gedaan tot verkrijging van op de zaak betrekking hebbende stukken, was de kantonrechter niet gehouden deze aan de gemachtigde te doen toekomen en kan reeds om die reden geen sprake zijn van enige strijd met het bepaalde in artikel 11, vierde lid (oud) van de Wahv.
7. Voor zover de gemachtigde erover klaagt dat de officier van justitie niet alle zaakstukken heeft verstrekt, stelt het hof allereerst vast dat de gemachtigde in administratief beroep heeft verzocht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Uit de informatie in het dossier kan verder worden vastgesteld dat de officier van justitie het zaakoverzicht aan de gemachtigde heeft toegezonden. In het zaakoverzicht is – voor zover op dit punt van belang – het volgende opgenomen: “foto in bijlage bij brondocument.” Of deze foto aan de gemachtigde is toegezonden, kan op basis van de informatie in het dossier niet worden vastgesteld. Nu de ambtenaar in zijn in het zaakoverzicht opgenomen verklaring naar deze foto verwijst, is het hof, in overeenstemming met het standpunt hieromtrent van de gemachtigde, van oordeel dat ook dit stuk aan de gemachtigde had moeten worden toegezonden. Nu de kantonrechter echter reeds de beslissing van de officier van justitie had vernietigd, kan de vaststelling dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met de op grond van artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op hem rustende informatieverplichting zonder gevolgen blijven. Deze vaststelling houdt evenmin in dat om die reden de inleidende beschikking moet worden vernietigd. Het verweer faalt.
8. De advocaat-generaal heeft bij diens verweerschrift het brondocument met bijlage in het geding gebracht. De gemachtigde is van deze stukken thans aldus in bezit.
9. De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder zich links van doorgetrokken streep bevinden (streep tussen verkeer in beide richtingen)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 december 2014 om 12:30 uur op de Hoefkade in ‘s-Gravenhagemet het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
10. De gemachtigde voert hiertegen allereerst aan dat de aankondiging van beschikking dan wel het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de opgelegde sanctie ontbreekt c.q. niet is ondertekend. Dit geeft volgens de gemachtigde aanleiding om de sanctie te vernietigen. Daarnaast wijst de gemachtigde erop dat geen bebording aanwezig is waaruit volgt dat niet mag worden ingehaald en blijkt niet zonder meer van een dubbele doorgetrokken streep. De foto geeft weliswaar een dubbele streep weer, maar deze streep is om de meter doorbroken. Uit de manier waarop deze strepen zijn aangebracht, blijkt niet dat er niet overheen mocht worden gereden.
11. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 76, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), inhoudende:
"Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaanverharding bevindt, mag niet worden overschreden. Bestuurders mogen zich niet links van een doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of op paden met verkeer in beide richtingen."
12. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende verklaring:
Overtreden artikel:
62 jo. 76 lid 1 RVV 1990
“Op genoemd d.d.t. zag ik betrokkene links over de rijstrook van het tegenliggend verkeer rijden. Ik stond +/- 200 meter voor de verkeerslichten stil. Betrokkene passeerde mij. Betrokkene reed vervolgens door tot aan het voorsorteervak voor linksaf. Hier sloeg hij links de Wouwermanstraat op. (…)
Verklaring betrokkene: Ik wilde snel naar huis.”
13. De bijlage bij het brondocument die door de ambtenaar in het zaakoverzicht foto wordt genoemd, betreft een uitdraai van Google Maps Streetview waarop de Hoefkade in ’s-Gravenhage is te zien. De Hoefkade bestaat uit twee rijbanen in tegengestelde richting, gescheiden door middel van dubbele, witte belijning. Deze belijning is telkens op hetzelfde punt, ongeveer na elke meter, een paar centimeter onderbroken.
14. De eerste grond treft geen doel. De Wahv stelt niet de eis dat aan een krachtens die wet opgelegde administratieve sanctie een ambtsedig proces-verbaal van een opsporingsambtenaar ten grondslag ligt. De vaststelling dat een gedraging is verricht kan ook worden gebaseerd op de gegevens in het zaakoverzicht. Overigens bevat het dossier een op 4 december 2014 op ambtsbelofte ondertekend brondocument van de hand van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd.
15. Het hof heeft in bestendige rechtspraak geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een doorgetrokken streep bepalend is of de wegmarkering zich aan de gemiddelde weggebruiker voordoet als een doorgetrokken streep in de zin van artikel 76 RVVPro 1990.
16. Op basis van hetgeen op de uitdraai van Google Maps is te zien, is het hof van oordeel dat de asstrepen op de plaats van de gedraging zich voordoen als dubbele doorgetrokken strepen. Aan dat oordeel doet niet af dat de doorgetrokken strepen worden onderbroken door zogenaamde afwateringssleuven van enkele centimeters. Dit betekent dat sprake is van een doorgetrokken streep in de zin van artikel 76 vanPro het RVV 1990. Nu de gedraging verder niet wordt betwist, staat deze vast. Dat ter plaatse geen bebording is aangebracht waaruit (tevens) volgt dat ter plaatse niet mag worden ingehaald, doet aan het voorgaande niet af. Oplegging van de onderhavige sanctie is immers gegrond op overtreding van het bepaalde in artikel 76 RVVPro 1990.
17. Voorgaande houdt in dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. Deze beslissing zal worden bevestigd. Aanleiding voor een vergoeding van proceskosten is er dan ook niet.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.