ECLI:NL:GHARL:2020:9916

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
1 december 2020
Zaaknummer
19/01255 tm 19/01257
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 26c Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:9 lid 1 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep vennootschapsbelasting wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende, een B.V., kreeg voor de jaren 2013 tot en met 2015 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd met daarbij verzuimboetes. De Inspecteur verklaarde de bezwaren tegen deze aanslagen niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die eveneens niet-ontvankelijkheid oordeelde.

In hoger beroep stelde belanghebbende dat zij noch haar boekhouder de uitspraak van mei 2018 had ontvangen, waardoor tijdig beroep instellen niet mogelijk was. Tevens verwees zij naar de langdurige ziekte en revalidatie van haar gemachtigde. Het hof oordeelde dat de beroepschriften te laat waren ingediend en dat belanghebbende onvoldoende had aangetoond dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. De bezwaarschriften waren ondertekend door de gemachtigde en er was geen bewijs dat belanghebbende hem had gemachtigd om beroep in te stellen.

Het hof bevestigde de niet-ontvankelijkheid van de beroepen en zag geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 24 november 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beroepen tegen de aanslagen vennootschapsbelasting worden niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers 19/01255 tot en met 19/01257
uitspraakdatum:
24 november 2020
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2019, nummers AWB 18/2891 tot en met 18/2893, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Eindhoven(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2013 tot en met 2015 aanslagen in de vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd. Bij beschikkingen zijn boetes opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de bezwaren niet‑ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen niet‑ontvankelijk verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft digitaal plaatsgevonden op 10 september 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.Vaststaande feiten

2013
2.1.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte Vpb te doen voor het jaar 2013. Met dagtekening 20 augustus 2016 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve vastgesteld en een verzuimboete opgelegd van € 2.639.
2.2.
Bij brief van 4 oktober 2016 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze aanslag en boete. Dit bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 27 mei 2017 wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard.
2.3.
Bij brief van 4 januari 2018 heeft belanghebbende nogmaals bezwaar gemaakt tegen de aanslag Vpb 2013. De Inspecteur heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek bij brief van 14 maart 2018 afgewezen.
2014
2.4.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte Vpb te doen voor het jaar 2014. Met dagtekening 15 april 2017 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve vastgesteld en een verzuimboete opgelegd van € 2.639.
2.5.
Bij brief die op 4 januari 2018 door de Inspecteur is ontvangen, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze aanslag en boete. Dit bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2018 wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard.
2015
2.6.
Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand om aangifte Vpb te doen voor het jaar 2015. Met dagtekening 13 mei 2017 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve vastgesteld en een verzuimboete opgelegd van € 2.639.
2.7.
Bij brief die op 4 januari 2018 door de Inspecteur is ontvangen, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze aanslag en boete. Dit bezwaar is bij uitspraak op bezwaar van 14 maart 2018 wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard.
Beroep bij de Rechtbank
2.8.
Bij brief van 18 mei 2018 die op 23 mei 2018 door de Rechtbank is ontvangen, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. De Inspecteur is ambtshalve tegemoetgekomen ten aanzien van de door belanghebbende voorgestane belastbare winst respectievelijk het belastbaar bedrag. In beroep zijn nog slechts de opgelegde verzuimboetes in geschil.
2.9.
De Rechtbank heeft de beroepen wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk verklaard.

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de Rechtbank de beroepen terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard.
3.2.
Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij noch haar boekhouder de uitspraak van mei 2018 heeft ontvangen. Als gevolg daarvan is het niet mogelijk geweest om op tijd beroep aan te tekenen. Zij heeft verder gewezen op de bijzondere omstandigheid dat haar gemachtigde ziek is geweest en in juni 2017 een hartoperatie heeft ondergaan, waarna hij een jaar uit de roulatie is geweest om te revalideren.
3.3.
De Inspecteur is van mening dat de beroepen terecht niet‑ontvankelijk zijn verklaard.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. [1] De termijn voor het instellen van beroep vangt aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak van de inspecteur, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. [2] Belanghebbende heeft niet gesteld dat zich een dergelijke situatie heeft voorgedaan. Zij heeft slechts gesteld dat zij noch haar boekhouder de uitspraak op bezwaar van mei 2018 heeft ontvangen.
4.2.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] In dit geval zijn de uitspraken op bezwaar gedateerd op 27 mei 2017 en 14 maart 2018. In mei 2018 is dus geen uitspraak op bezwaar gedaan. Omdat belanghebbende de ontvangst van de uitspraken op bezwaar van 27 mei 2017 en 14 maart 2018 niet heeft betwist, staat procesrechtelijk vast dat deze zijn ontvangen en dat de termijn om beroep in te stellen is gaan lopen. De beroepschriften zijn te laat ingediend, ook als de brief van 4 januari 2018 voor het jaar 2013, het tweede bezwaarschrift, dat door de Inspecteur is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering, wordt aangemerkt als beroepschrift. Een niet tijdig ingediend beroepschrift wordt niet‑ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [4]
4.3.
Het Hof moet dus beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daarvoor onvoldoende aangevoerd. Zo staat vast dat de bezwaarschriften voor de jaren 2014 en 2015 en het tweede bezwaarschrift voor het jaar 2013 zijn gedagtekend op 4 januari 2018 en door de gemachtigde zijn ondertekend. In zoverre kan belanghebbende niet worden gevolgd in haar stelling dat haar gemachtigde een jaar uit de roulatie is geweest. Daarnaast is niet komen vast te staan dat belanghebbende aan haar gemachtigde de opdracht heeft gegeven, of een daartoe strekkende volmacht heeft afgegeven, om beroep in te stellen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. T. Tanghe, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (M.J.C. Pieterse)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 november 2020
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 6:7 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2.Artikel 26c Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Artikel 6:9, lid 1, Awb.
4.Artikel 6:11 Awb Pro.