Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant1] (overleden [in] 2019),
[appellante2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak betrof het een hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Overijssel inzake de schuldsaneringsregeling van twee appellanten, waarvan één inmiddels was overleden. De regeling van de overleden appellant werd op grond van artikel 358 lid 1 juncto Pro lid 6 Fw beëindigd zonder toekenning van de schone lei, omdat deze alleen aan de schuldenaar persoonlijk kan worden verleend. De schuldsaneringsregeling van de mede-schuldenaar werd beëindigd met toekenning van de schone lei, aangezien zij niet toerekenbaar tekortgeschoten was in haar verplichtingen.
Het hof nam het tussenarrest van 16 december 2019 over en beoordeelde afzonderlijk de situatie van beide appellanten. Uit de stukken bleek dat de overleden appellant was overleden in 2019 en dat de regeling nog niet was beëindigd op het moment van overlijden, waardoor de schone lei niet kon worden toegekend. Voor de mede-schuldenaar werden de nieuwe schulden nader gespecificeerd en bleken deze aanzienlijk lager dan eerder geschat. Gezien haar mantelzorg voor haar ernstig zieke echtgenoot en de geringe omvang van de nieuwe schulden oordeelde het hof dat zij niet toerekenbaar tekortgeschoten was.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank voor de overleden appellant en vernietigde het vonnis voor de mede-schuldenaar, waarna het zelf besliste tot toekenning van de schone lei en beëindiging van de regeling na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Dit arrest werd op 6 februari 2020 uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Schuldsaneringsregeling van overleden appellant beëindigd zonder schone lei; mede-schuldenaar krijgt schone lei en regeling wordt beëindigd.