Deze civiele zaak betreft een geschil tussen appellant en de gemeente Wijdemeren over het bezit van een strook grond grenzend aan het perceel van appellant. Appellant stelde dat hij door verjaring eigenaar was geworden van drie stroken grond (A, B en C), maar de gemeente erkende slechts gedeeltelijk het beroep op verjaring voor strook A.
De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af omdat hij onvoldoende bezitsdaden had verricht die nodig zijn voor verjaring. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat appellant onvoldoende feitelijke macht heeft uitgeoefend over stroken B en C om deze als bezit te kwalificeren. Het plaatsen van een hek op strook B was onvoldoende en dat hek is inmiddels verwijderd.
Ook de bouwvergunning voor een botenlift op strook C en het feit dat een deel van de fundering zich onder strook C bevindt, leiden niet tot bezit van de strook. De gemeente blijft eigenaar van strook B en appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof wijzigt de verklaring voor recht en wijst het meer of anders gevorderde af.